Oneerlijk zakendoen is nog geen oplichting

Niet alle vormen van oneerlijk zakendoen, handelen te kwader trouw en moedwillige wanprestatie zijn oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. Als niet bewezen kan worden dat iemand een valse hoedanigheid heeft aangenomen, dan kan hij niet strafrechtelijk worden veroordeeld.

Een in 1971 geboren man uit Amsterdam heeft zich tussen 24 juni 2008 en 7 november 2008 voorgedaan als bonafide ondernemer. Handelend via de online advertentiewebsite Marktplaats.nl en zijn eigen webwinkel op

, heeft de man aan minstens 20 mensen voor een totaal bedrag van zeker 51.000 euro aan computers, audio en/of witgoed verkocht. De gekochte producten werden echter nooit geleverd.

Ik wilde wel, maar ...

Volgens de man beoogde hij in juli 2008 – bij de start van de webwinkel – wel degelijk de door zijn klanten bestelde goederen te leveren. De ontvangen bedragen zouden echter op zijn gegaan aan het aflossen van de openstaande schulden. Uit het dossier van de zaak komt echter een heel ander beeld naar boven. Zodra de webwinkel geopend was en er inkomsten gegenereerd werden, ging de ‘ondernemer’ op grote voet leven. Een dagje Efteling, een dagje Walibi World, €1.500,- voor de nieuwe inrichting van zijn eigen huis et cetera. Alleen al in de maand juli consumeerde hij op deze manier voor € 12.702,31.

Maar geen oplichting

Toch heeft de rechtbank Amsterdam de man eind november 2009 niet kunnen veroordelen voor oplichting (Art. 326 Sr). Weliswaar gingen de rechters er vanuit dat de man te kwader trouw heeft gehandeld, maar deze – mogelijkerwijs civielrechtelijk als moedwillige wanprestatie te bestempelen – wijze van zaken doen betekent echter in strafrechtelijke zin nog niet dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting zoals telastegelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat verdachte door middel van listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels de klanten heeft bewogen tot het overmaken van de geldbedragen. Voor het aannemen van de valse hoedanigheid van bonafide ondernemer en/of internetwinkel bestaan weliswaar aanwijzingen, maar het concrete bewijs daarvoor ontbreekt.(1) De enkele omstandigheid dat de man zich voor heeft gedaan als bonafide ondernemer is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad onvoldoende om ‘het aannemen van een valse hoedanigheid van bonafide (ver)koper’ op te leveren.(2)

En de twintig gedupeerde klanten?

De wetgever gaat er vanuit dat deelnemers aan het handelsverkeer zorgvuldigheid betrachten bij het aangaan van overeenkomsten en in beginsel de daaraan verbonden risico’s aanvaarden. De reikwijdte van artikel 326 van het Wetboek van strafrecht is dus beperkt, maar dat maakt consumenten nog niet rechteloos. De rechtbank merkt hierover op: Zij kunnen immers het risico op moedwillige wanprestatie afwenden door hun aankoop te doen bij een (web)winkel waarvan de betrouwbaarheid is gebleken en/of die de mogelijkheid biedt tot betaling bij levering of op een later tijdstip. Als zij niettemin bereid zijn om vooraf te betalen, kunnen zij in geval van het uitblijven van de levering de verkoper tot nakoming aanmanen en/of een schadevergoeding vorderen, wanneer diens (adres)gegevens, zoals in het geval van verdachte, bekend zijn. Van een kale kip valt echter niets te plukken. In dit praktijkgeval zal het er daarom waarschijnlijk op neerkomen dat de klanten veel leergeld hebben betaald.

Voetnoten

1
Rb. Amsterdam, 30 november 2009, LJN BK4742.
2
Vgl. HR 15 december 1998, LJN: ZD1177.