Rechter: "wij denken dat u liegt"

De opmerking van een rechter dat hij denkt dat de verdachte liegt is – gelet op de daarop volgende uitleg dat en waarom de getuige van meineed wordt verdacht – geen objectieve grond voor de vrees dat de rechter niet-onpartijdig zal zijn.

Het was 29 april 2008. De rechters van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch hoorden getuige C. in verband met een strafzaak tegen iemand die verdacht werd van het medeplegen van valsheid in geschrift. Nadat het onderzoek enige tijd had geduurd, onderbraken de rechters het onderzoek voor beraad. Toen zij het onderzoek weer hervatte, deelde de voorzitter van het gerechtshof de getuige mee: Wij denken dat u liegt. Er lijken namelijk discrepanties te bestaan tussen hetgeen u nu verklaart en hetgeen uit het dossier blijkt. Het Hof beval daarom onderzoek naar de vraag of getuige C. zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf meineed (art. 207 Sr). De advocaat van de verdachte heeft hierop de rechters gewraakt. Volgens hem had het hof met de hier geciteerde tekst voorafgaand aan de beslissing of zij wel of niet tot een bewezenverklaring komt reeds de waardering van het bewijs uitgesproken, en dat mag niet.

Op 30 mei 2008 deed de wrakingskamer van het gerechtshof uitspraak op het verzoek om wraking van de rechters die getuige C. hebben gehoord. De wrakingskamer begon met de standaardoverweging dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer meende wel dat de voorzitter van het hof zich ‘minder gelukkig’ zou hebben uitgelaten, maar het bevel een proces verbaal tegen de getuige op te maken op verdenking van meineed, leverde op zichzelf – aldus de wrakingskamer – geen zwaarwegende aanwijzing op voor de partijdigheid van de rechters.

De advocaat is namens de verdachte in cassatie gegaan. Volgens hem zou zijn cliënt geen eerlijk proces krijgen en waren artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR geschonden. De Hoge Raad deelde de opvatting van de advocaat echter evenmin. De enkele omstandigheid dat de voorzitter van het Hof ter terechtzitting tegen de getuige C. heeft gezegd: ‘Wij denken dat u liegt’ levert niet een zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld, mede in aanmerking genomen dat de voorzitter na de gewraakte opmerking, kort gezegd, heeft medegedeeld dat en waarom de getuige C. ervan werd verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan het misdrijf van meineed. Van schending van eerdergenoemde verdragsbepaling is dus geen sprake.(1) Advocaat-Generaal Vellinga wijst er in zijn conclusie op dat de rechters met de gewraakte uitspraak hebben willen opmerken dat er bij getuige C. een redelijk vermoeden van schuld bestond dat hij zich schuldig maakte aan meineed. Van dat vermoeden van schuld kan de rechter laten blijken zonder dat sprake is van een zwaarwegende aanwijzing in de door de Hoge Raad bedoelde zin. Dat ligt besloten in de in art. 295 Sv vervatte regeling voor het bevelen van onderzoek, die immers als voorwaarde stelt dat de getuige wordt verdacht van meineed. De door de voorzitter gebezigde bewoordingen geven blijk van een ernstiger vermoeden dan voor een onderzoek naar meineed nodig is — hij had kunnen volstaan tot uitdrukking te brengen dat het vermoeden was gerezen dat de getuige loog: wij vermoeden dat U liegt — maar omdat het bij een vermoeden blijft zie ik in de bewuste uitlating geen zwaarwegende aanwijzing in vorenbedoelde zin. De rechter heeft zich dus alleen ongelukkig uitgelaten. Mogelijk was het anders geweest als de rechter had uitgeroepen: U liegt! Maar dat is niet gebeurd.

Voetnoten

1
HR 21 september 2010, NJ 2010, 520 ro. 2.6