Media-optreden rechter onwenselijk maar niet ontoelaatbaar

Het enkele feit dat de rechter nadat het vonnis is gewezen een journalist te woord heeft gestaan, brengt niet met zich mee dat de onschuldpresumptie of het verbod op vooringenomenheid per definitie geschonden is. Een en ander hangt af van de inhoud en de strekking van de uitlatingen en de overige omstandigheden van het geval.

Op 12 oktober 2010 deed de Hoge Raad uitspraak in het cassatieberoep dat Willem H. heeft ingesteld tegen de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2009.(1) De advocaten mrs. A.A. Franken en C.H. Zuur hebben bij de Hoge Raad circa 70 klachten tegen deze uitspraak ingediend.(2) Deze zal ik hier niet allemaal bespreken. In dit blog-bericht wil ik graag één aspect uit het cassatieberoep behandelen: de mogelijke vooringenomenheid van de rechter. De schending van het onschuldvermoeden, dat hiermee samenhangt, komt daarbij eveneens ter sprake.

De zaak tegen Willem H. kreeg veel aandacht in de media. De verdediging laakte ondermeer het feit dat de voorzitter van de strafkamer van de rechtbank Haarlem, die het vonnis heeft gewezen, na het vonnis met een journalist van De Telegraaf over de zaak heeft gesproken. In hoger beroep had het gerechtshof al uitgesproken: In beginsel heeft de rechter zich te onthouden van uitlatingen in de media over een zaak die aan zijn oordeel onderworpen is geweest (en zeker zolang daarop nog niet onherroepelijk is beslist). Toch levert niet iedere uitlating van een rechter een schending van het verbod op vooringenomenheid van de rechter of een schending van het onschuldvermoeden (beide voortvloeiend uit artikel 6 EVRM) op. Advocaat-Generaal Mr Jörg vatte in zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op dit punt als volgt samen: Waar het volgens het EHRM om gaat is dat een rechter, teneinde het beeld van zijn onpartijdigheid te handhaven, de maximale voorzichtigheid en tact moet betrachten met betrekking tot de zaken waarover hij zich buigt. Deze, door de rechter te betrachten, voorzichtigheid brengt met zich mee dat het hem wordt ontraden zich tot de media te wenden, ook indien hij daartoe wordt uitgedaagd - en niet, zoals de stellers van het middel stellen, dat hem wordt opgedragen zich van contact met de media te onthouden.(3) Het enkele feit dat de rechter, nadat het vonnis is gewezen, een journalist te woord heeft gestaan, brengt dus niet per definitie met zich mee dat de onschuldpresumptie of het verbod op vooringenomenheid geschonden is. Of er sprake is van vooringenomenheid jegens de verdachte – en daarmee van een schending van artikel 6 EVRM – kan alleen worden vastgesteld door te kijken naar de inhoud en de strekking van de door de rechter in de media gedane uitlatingen en de overige omstandigheden van het geval. In de onderhavige casus waren geen uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleverden dat de rechter vooringenomen zou zijn of het onschuldvermoeden zou hebben geschonden.

Voetnoten

1
Hof Amsterdam, 3 juli 2009, LJN: BJ1646.
2
In ro. 3 van zijn conclusie merkt Mr Jörg, Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad, dienaangaande op dat cassatie bij de Hoge Raad is bedoeld voor cruciale kwesties en niet voor details en futiliteiten.
3
HR 12 oktober 2010, LJN BN0526. Conclusie A-G ro. 14.