Gegevensuitwisseling met interne advocaat niet vertrouwelijk

Het beginsel van de vertrouwelijkheid strekt zich niet uit tot hetgeen binnen een onderneming of binnen een groep van ondernemingen met een interne advocaat wordt uitgewisseld.

De Europese Commissie is belast met het toezicht op de interne markt (art. 105 VWEU). In deze hoedanigheid waakt zij voor kartels (art. 101 VWEU) en misbruik door ondernemingen van een machtspositie (art. 102 VWEU). Omdat de Commissie Akzo Nobel Chemicals Ltd van mededingingsverstorende praktijken verdacht wordt, hebben ambtenaren van de Commissie op 12 en 13 februari bij Akzo Nobel onderzoek verricht. De bevoegdheden die de Commissie hiertoe heeft waren neergelegd in Verordening (EEG) nr. 17/1962. Inmiddels is die verordening vervangen door Verordening (EG) nr. 1/2003. Een van de onderzoeksbevoegdheden van de Commissie is het maken van afschriften van boeken en bescheiden van een bedrijf (art. 14).(1)

Tijdens het onderzoek bij Akzo Nobel hebben ambtenaren van de Commissie kopieën gemaakt van een aanzienlijk aantal documenten. Het bedrijf heeft de ambtenaren erop attent gemaakt dat een aantal van de gekopieerde bescheiden waarschijnlijk onder de bescherming van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten viel (het “legal professional privilage’ of ‘LPP’ genoemd). Zij wezen daarbij ondermeer op twee e-mails, gewisseld tussen de general manager van Akcros Chemicals Ltd en de coördinator mededingingsrecht van Akzo Nobel. Laatstgenoemde is een in Nederland ingeschreven advocaat, die ten tijde van de feiten lid van de juridische dienst van Akzo Nobel was en dus in vaste dienst van deze onderneming.

Ontvankelijkheid

In het hoger beroep bij de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie, stelde de commissie dat Akzo Nobel geen procesbelang meer had bij het hoger beroep, omdat de gewraakte e-mails bij het opleggen van de geldboete uiteindelijk niet als bewijs van mededingingsverstorende praktijken zijn gebruikt. Het Hof van Justitie ging echter niet mee in deze redenering. In rechtsoverweging 25 stelt het Hof:De eventuele schending van de vertrouwelijkheid van communicatie tussen advocaten en cliënten bij verificaties doet zich niet voor wanneer de Commissie zich in een beslissing ten gronde op een beschermd document baseert, maar zodra een ambtenaar van de Commissie een dergelijk document in beslag neemt.

Het beginsel van de vertrouwelijkheid

De relevante rechtsvraag in dit arrest is of de communicatie binnen een onderneming tussen een advocaat, die in vaste dienst is bij het bedrijf, en een andere medewerker, dezelfde bescherming heeft als communicatie tussen een advocaat en een cliënt. De vraag gaat daarmee over de reikwijdte van het beginsel van vertrouwelijkheid.

In het Arrest AM & S Europe/Commissie heeft het Hof geoordeeld dat de vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen een advocaat en zijn cliënt op het niveau van de Europese Gemeenschap moet worden beschermd.(2) Dit wordt het beginsel van vertrouwelijkheid genoemd. Deze bescherming berust op een opvatting van de rol van de advocaat als medewerker bij de rechtspleging, die geheel onafhankelijk en in het overwegend belang van deze rechtspleging de door zijn cliënt benodigde rechtskundige bijstand moet verlenen. (ro. 42)

Om een beroep te kunnen doen op het beginsel van de vertrouwelijkheid, moet wel aan twee voorwaarden zijn voldaan. Enerzijds dient de briefwisseling met de advocaat plaats te vinden in het kader van het recht van verdediging van de cliënt en anderzijds moet de briefwisseling afkomstig zijn van “onafhankelijke advocaten”, dat wil zeggen advocaten die niet in dienstbetrekking zijn bij hun cliënt. (ro. 41) In rechtsoverweging 44 verduidelijkt het Hof de laatstgenoemde voorwaarde nog wat meer, waar het schrijft: Hieruit volgt dat het vereiste van onafhankelijkheid veronderstelt dat er geen enkele dienstbetrekking tussen de advocaat en zijn cliënt bestaat, zodat de bescherming uit hoofde van het beginsel van de vertrouwelijkheid zich niet uitstrekt tot briefwisseling die binnen een onderneming of binnen een groep ondernemingen met de interne advocaten wordt gevoerd. De achterliggende redenering is dat een advocaat die in loondienst is bij een onderneming, ondanks zijn toelating als advocaat en de daarmee hangende gedragsrechtelijke voorwaarden, niet even onafhankelijk kan opereren tegenover zijn cliënt als een advocaat van een extern advocatenkantoor.(3)

Voetnoten

1
Deze bevoegdheid uit art. 14 lid 1 onder b Verordening (EEG) nr. 17/1962 is nu terug te vinden in art. 20 lid 2 Verordening (EG) nr. 1/2003.
2
Hof van 18 mei 1982, AM & S Europe/Commissie (155/79, Jurispr. blz. 1575).
3
Hof van Justitie (Grote Kamer), 14 september 2010, Zaaknr.: C 550/07 P. (Akzo Nobel Chemicals Ltd / Commissie)