Nederlands en het Fries in de rechtspraak

Een paar maanden geleden stond in de Leeuwarder Courant een artikel over meneer De Groot. De Friese agrariër moest zich verantwoorden voor de economische politierechter in Leeuwarden, omdat hij oppervlaktewater verontreinigd zou hebben.(1) Toen hij zijn zegje in het Fries wilde doen, bleek echter dat de aanwezige officier van justitie geen Fries verstond, zodat de agrariër noodgedwongen in het Nederlands zijn verhaal moest doen. Ik wie dochs yn it neidiel.

Nederlands en Fries

België heeft drie officiële talen: Nederlands, Frans en Duits. In Nederland zijn er twee officiële talen: het Nederlands en, in Friesland, het Fries. Anders dan in België(2), bevat onze Grondwet geen bepaling over de taal. Wel zijn ‘gewone’ bepalingen in wetten aan te wijzen die op de taal zien. Zo bepaalt artikel 9 van de Wet op het primair onderwijs dat leerlingen op de basisschool Nederlands en Engels moeten leren en dat kinderen op Friese basisscholen daarnaast in beginsel ook Fries leren. Hogescholen en universiteiten zijn op grond van artikel 1.3 lid 4 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek gehouden bij Nederlandstalige studenten de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands te bevorderen. Ook de communicatie met de overheid geschiedt in beginsel in het Nederlands (art. 2:6 Awb), hoewel in het verkeer met bestuursorganen die in Friesland gevestigd zijn vaak ook het Fries kan worden gebruikt (art. 2:7 Awb). Ook de rechtspraak geschiedt in het Nederlands, al biedt de Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer mogelijkheden het Fries in de rechtzaal te gebruiken.

Een tolk

De agrariër uit Friesland had graag zijn laatste woord in het Fries willen uitspreken. Artikel 2 van de Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer biedt daarvoor ook de grondslag.

Art. 2 Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer
In alle gevallen, waarin iemand op een terechtzitting, welke gehouden wordt in de provincie Fryslân, van ambtswege het woord voert, dan wel verplicht is zich aan een verhoor te onderwerpen of bevoegd is het woord te voeren, is hij bevoegd zich te bedienen van de Friese taal.

Toen bleek dat de aanwezige officier van justitie geen Fries verstond, schakelde de agrariër echter, volgens zijn advocaat, vrij snel en soepel over in het Nederlands. De verdachte heeft dit zelf niettemin anders ervaren: Ik begûn wat te hakkeljen. En dat was helemaal niet nodig geweest, want als een Fries in Friesland gebruik wil maken van zijn in het hier geciteerde artikel 2 neergelegde recht om bij het onderzoek ter terechtzitting in een strafzaak zich te bedienen van het Fries, dan kan de rechter, als hij zulks wenselijk acht, bepalen dat er bijstand zal worden verleend door een tolk (art. 3 Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer jo. art. 276 Wetboek van Strafvordering). In Friesland had de agrariër dus gewoon Fries kunnen spreken.

Kamervragen

Het bovenvermelde voorval was voor de heren De Rouwe en Atsma (beiden: CDA) aanleiding om kamervragen te stellen aan de minister van Justitie (Hirsch Ballin). In het antwoord op deze kamervragen wordt een beknopt overzicht gegeven van alle maatregelen die reeds zijn genomen om verdachten, partijen en getuigen er op te wijzen dat zij bij de rechtbank Leeuwarden ook de Friese taal mogen gebruiken. Op diverse plaatsen zijn bordjes met de tekst U mag ook Fries spreken geplaatst, de website van de rechtbank heeft een Friestalige versie en het personeel heeft de mogelijkheid een cursus Fries te volgen.(3) En de agrariër? Hij is in hoger beroep gegaan en zal daar ongetwijfeld zijn laatste woord in het Fries inbrengen.

Voetnoten

1
Robert Jan Speerstra, Friese taal sneuvelt door Zwolse officier, Leeuwarder Courant 19 mei 2010 p. 15.
2
Vgl. art. 4 van de Belgische Grondwet.
3
Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009-2010 nr. 2825.