De uitspraak Reyners (Zaaknr.: 2/74)

Als een beroep louter uit rechtstreekse en specifieke deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag bevat, dan mogen er nationaliteitseisen aan dit beroep als geheel worden gesteld. In andere gevallen mag een nationaliteitseis alleen ten aanzien van de verrichting van bepaalde werkzaamheden, voor zover die de uitoefening van openbaar gezag omvatten, worden gesteld.

Jean Reyners heeft rechten gestudeerd in België. Hij wilde advocaat worden, maar kon zich door zijn Nederlandse nationaliteit niet als zodanig inschrijven in België. Het Koninklijk Besluit van 24 augustus 1970 betreffende het voeren van de titel en de uitoefening van het beroep van advocaat stond daaraan in de weg. Het rechtsgeschil dat als gevolg hiervan ontstond, gaf de Belgische Raad van State aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

Vrij verkeer van vestiging

Reyners deed een beroep op de voorloper van artikel 49 VWEU: artikel 52 EEG-Verdrag. Deze verdragsbepaling verbiedt beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie op het grondgebied van een andere lidstaat. De bepaling maakt deel uit van een reeks bepalingen die de gelijke behandeling van EU-burgers garanderen en vormt daarmee een van de fundamentele rechtsvoorschriften van de Europese Unie (vgl. § 24), waar burgers van de lidstaten zich rechtstreeks op kunnen beroepen (vgl. § 32).

Werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag

Het recht op vrijheid van vestiging is geen absoluut recht. Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie kent een aantal bepalingen die beperking van dit recht mogelijk maken. Een daarvan is artikel 51 VWEU.(1) In die bepaling staat dat het Vrij verkeer van vestiging niet van toepassing is op de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in een lidstaat. Zelfs indien deze slechts voor een bepaalde gelegenheid geschieden. De vraag die het Hof van Justitie heeft moeten beantwoorden is of België een nationaliteitseis aan advocaten mocht stellen. Of dat, zoals Reyners betoogde, deze eis slechts gesteld mocht worden ten aanzien van bepaalde werkzaamheden die een advocaat verricht.

Beperkte reikwijdte van artikel 51 VWEU

Volgens het Hof van Justitie hebben de vrijheid van vestiging en de regel van gelijke behandeling een fundamenteel karakter in het VWEU. Daarom moet de in artikel 51 VWEU toegelaten afwijking geen draagwijdte worden toegekend die verder gaat dan het doel waarvoor deze uitzondering is opgenomen (vgl. § 43). Aan de behoefte vreemdelingen uit te sluiten van functies waarin openbaar gezag wordt uitgeoefend, kan volledig worden voorzien door de uitsluiting van vreemdelingen te beperken tot die werkzaamheden welke, op zich beschouwd, een rechtstreekse en specifieke deelneming van de uitoefening van het openbaar gezag vormen. (Vgl. § 45) Het stellen van een nationaliteitseis aan een geheel beroep, is alleen dan geoorloofd wanneer de aldus gekarakteriseerde daarmede zodanig zouden zijn verbonden, dat de betrokken lidstaat zich als gevolg van de liberalisatie van de vestiging geknoopt zou zien de uitoefening door vreemdelingen – zelfs indien slechts voor een bepaalde gelegenheid – van functies welke met het openbaar gezag verband houden, toe te staan.(2) Deze uitbreidingen zijn echter niet toegestaan, wanneer bij een onafhankelijk beroep de werkzaamheden waardoor men eventueel aan de uitoefening van het openbaar gezag deelheeft, een afzonderlijk onderdeel vormen van de betrokken beroepswerkzaamheden. (vgl. § 47)

Geen nationaliteitseis voor advocaten

Bij de werkzaamheden die een advocaat voornamelijk verricht – consultatie, rechtsbijstand en vertegenwoordiging en verdediging van partijen in rechte – oefent hij geen openbaar gezag uit. Ook niet wanneer de tussenkomst of de bijstand van een advocaat door de wet verplicht is gesteld (§ 42). Om die reden heeft, zo luidt het eindoordeel van het Hof van Justitie, voor advocaten het vrij verkeer van vestiging te gelden. De Belgische nationaliteitseis was onrechtmatig.

Notitie

De uitspraak in de zaak Reyners biedt een voorbeeld van verboden directe discriminatie die het vrij verkeer van vestiging binnen de Europese Unie verhinderd.

Voetnoten

1
Art. 51 VWEU is de opvolger van art. 55 EEG-Verdrag, dat de opvolg is van at. 44 EG-Verdrag.
2
HvJEEG 21 juni 1974, zaaknr.: 2/74.