Altmark (Zaaknr. C-280/00)

Financiering ter compensatie van openbare dienstverplichtingen is geen staats¬steun en behoeft daarmee niet te worden aangemeld bij de Europese Commissie mits aan vier voorwaarden wordt voldaan.

Het Regierungspräsidium Magdeburg (Duitsland) heeft aan Altmark Trans GmbH vergunningen verleend om met bussen in het Landkreis Stendal lijnvervoer te verrichten. De vergunningen zijn toegekend voor het tijdvak van 25 september 1990 tot en met 19 september 1994. Daarnaast heeft het Regierungspräsidium Magdeburg het bedrijf overheidssubsidies toegekend voor de uitvoering van die diensten. Bij besluit van 27 oktober 1994 werden Altmark Trans GmbH nieuwe vergunningen toegekend tot en met 31 oktober 1996. In dezelfde beschikking zijn de aanvragen van de concurrerende busonderneming – Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH – om vergunningen voor exploitatie van die diensten afgewezen. De afwijzing werd gemotiveerd met de verklaring dat Altmark Trans GmbH aan de erkenningsvoorwaarden had voldaan en daarom in aanmerking kwam voor bescherming van haar verworven positie. Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH meent evenwel dat de subsidie, die het Regierungspräsidium Magdeburg aan Altmark Trans GmbH, gaf onrechtmatig is.

Over dit rechtsgeschil heeft het Bundesverwaltungsgericht een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie. En wel: is het verstrekken van subsidies voor de uitvoering van onrendabele busdiensten verenigbaar met de bepalingen van het gemeenschapsrecht inzake staatssteun?

Staatssteun of compensatie

In alinea 84 brengt het Hof van Justitie in herinnering wat onder staatssteun verstaan moet worden. Te weten: maatregelen die, in welke vorm ook, ondernemingen rechtstreeks of indirect kunnen bevoordelen (...) of die zijn te beschouwen als een economisch voordeel dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen. Toch is niet iedere subsidie die de overheid aan een onderneming verstrekt meteen verboden staatssteun, zo blijkt uit alinea 87 van de uitspraak. Wanneer een overheidsmaatregel te beschouwen is als een compensatie die de tegenprestatie vormt voor de prestaties die de begunstigde ondernemingen hebben verricht om openbaredienstverplichtingen uit te voeren, zodat deze ondernemingen in werkelijkheid geen financieel voordeel ontvangen en voormelde maatregel dus niet tot gevolg heeft dat deze ondernemingen vergeleken met ondernemingen die met hen concurreren in een gunstiger mededingingspositie worden geplaatst,(1) dan valt een dergelijke maatregel niet binnen de werkingssfeer van artikel 107, eerste lid, VWEU (oud: art. 92 lid 1 EG-Verdrag).

Vier voorwaarden

Wil een compensatie in een concreet geval niet als staatssteun aangemerkt worden, dan moet aan vier voorwaarden zijn voldaan:
1) De begunstigde onderneming moet daadwerkelijk belast zijn met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen (§ 89). Deze openbaredienstverplichtingen dienen daarenboven duidelijk omschreven te zijn.
2) De compensatie moet gebaseerd zijn op objectief en doorzichtig vastgestelde parameters die vooraf bekend zijn (§ 90).
3) De compensatie mag niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen geheel of gedeeltelijk te dekken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de opbrengsten alsmede met een redelijke winst uit de uitvoering van die verplichtingen (§ 92).
4) De noodzakelijke compensatie moet worden vastgesteld op basis van de kosten die een gemiddelde, goed beheerde onderneming, die zodanig met vervoermiddelen is uitgerust dat zij aan de vereisten van de openbare dienst kan voldoen, zou hebben gemaakt om deze verplichtingen uit te voeren, rekening houdend met de opbrengsten en een redelijke winst uit de uitoefening van deze verplichtingen (§ 93).

Voetnoten

1
HvJEG 24 juli 2003, Zaaknr. C-280/00. (Altmark)