Bickel en Franz (Zaaknr.: C-274/96)

Nationale bepalingen aangaande het strafrecht en strafprocesrecht mogen niet leiden tot discriminatie van personen aan wie het gemeenschapsrecht het recht op gelijke behandeling toekent, noch de door dit recht gewaarborgde fundamentele vrijheden beperken.

Meneer Bickel heeft de Oostenrijkse nationaliteit en is in Italië aangehouden, omdat hij met teveel drank op achter het stuur van zijn vrachtwagen zat. Meneer Franz bezit de Duitse nationaliteit en is door de Italiaanse douane opgepakt, omdat hij een verboden mes bij zich droeg. In Bolzano mogen ingezetenen zich voor het gerecht van de Duitse taal bedienen. Bickel en Franz spreken weliswaar Duits, maar waren niet woonachtig in Bolzano, zodat hun proces in het Italiaans gevoerd moest worden.

De werkingssfeer van het verdrag

Artikel 6 EG-Verdrag, tegenwoordig artikel 10 VWEU, verbiedt elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit. Dat betekent dat personen die zich in een door het gemeenschapsrecht geregelde situatie bevinden en eigen onderdanen van een lidstaat door de lidstaat volkomen gelijk behandeld moeten worden. Door in Italië hun diensten aan te bieden, maakten de heren Bickel en Franz gebruik van het recht van vrij verkeer van dienstverlening ex artikel 56 VWEU. Omdat de mogelijkheid voor burgers van de Europese Unie om op een zelfde voet als eigen onderdanen van een staat in een bepaalde taal met de administratieve en gerechtelijke instanties van die staat te communiceren de uitoefening van de vrijheid in een andere lidstaat te reizen en te verblijven kan vergemakkelijken, hebben personen die van die vrijheid gebruik maken krachtens artikel 10 VWEU er in beginsel recht op, wat het gebruik van de aldaar gebezigde talen betreft, niet anders te worden behandeld dan de onderdanen van die staat. (vgl. § 16)

Verboden indirecte discriminatie

Duits sprekende Italianen zijn een beschermde minderheid. Om hun etnische-culturele identiteit te waarborgen, mogen zij in de provincie Bolzano, mits zij in die provincie woonachtig zijn, rechterlijke procedures in het Duits voeren. Duitstalige onderdanen uit andere lidstaten, met name van Duitsland en Oostenrijk, die in de provincie Bolzano reizen of verblijven, kunnen bijgevolg niet verlangen dat een strafprocedure in het Duits wordt gevoerd. Zij wonen immers niet in Bolzano. Volgens het Hof van Justitie is hierdoor sprake van verboden indirecte discriminatie op grond van woonplaats. Het strafrecht en het strafprocesrecht - waarvan de in geding zijnde bepalingen betreffende de procestaal deel uitmaken - behoren in het algemeen weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten, doch het is vaste rechtspraak, dat het gemeenschapsrecht grenzen stelt aan die bevoegdheid. Dergelijke bepalingen mogen namelijk niet leiden tot discriminatie van personen aan wie het gemeenschapsrecht het recht op gelijke behandeling toekent, noch de door het gemeenschapsrecht gewaarborgde fundamentele vrijheden beperken.(1) De Italiaanse wettelijke regeling volgens welke op het grondgebied van een bepaalde gemeenschap kan worden verlangd dat een strafproces wordt gevoerd in de taal van de belanghebbende, mits deze op dat grondgebied woonachtig is, bevoordeelt de eigen onderdanen van Italië boven de onderdanen van de andere lidstaten die gebruik maken van hun recht van vrij verkeer. Derhalve is zij in strijd met het non-discriminatiebeginsel van artikel 10 VWEU.

Notitie

De verbodsnorm in de bepalingen aangaande het vrij verkeer in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zien zowel op discriminatie als op verboden belemmeringen. Niet alleen directe discriminatie is verboden, maar ook onderscheid dat wordt gemaakt op basis van een ander criterium, dat hetzelfde effect heeft als directe discriminatie: bijvoorbeeld het woonplaatscriterium in de hier besproken uitspraak (zaaknr.: C-274/96).

Voetnoten

1
HvJEG 24 november 1998, Zaaknr.: C-274/96.