De interne markt

De Europese Unie is erg belangrijk. Toch zijn er op deze website maar weinig bijdragen te vinden die over de Europese Unie gaan. Helemaal onbegrijpelijk is dat niet, want waar moet je beginnen?

De Europese Unie is opgericht om gemeenschappelijke doelstellingen van de lidstaten te bereiken. Dat staat in de eerste volzin van artikel 1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Een van die doelstellingen is het tot stand brengen van een interne markt (art. 3 lid 3 VEU jo. 26 lid 1 VWEU). Dat wil zeggen: een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van de Verdragen. (art. 26 lid 2 VWEU). Bij deze definitie zijn tenminste een tweetal kanttekeningen te maken.

Doelstelling versus bevoegdheidsgrondslag

Uit de zinsnede volgens de bepalingen van de Verdragen. wordt duidelijk dat een doelstelling geen bevoegdheidsgrondslag oplevert. Het Verdrag betreffende de Europese Unie (afgekort: VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (afgekort: VWEU) moeten de grondslagen bieden voor de bevoegdheden die de instellingen van de Europese Unie nodig hebben om de totstandkoming van een interne markt daadwerkelijk te verwezenlijken (vgl. ook art. 3 lid 6 VEU).

Vier vrijheden en mededinging

De tweede kanttekening is dat, anders dan de definitie van het begrip ‘interne markt’ doet vermoeden, voor de totstandkoming van de interne markt in de Europese Unie niet alleen het opruimen van grensbelemmeringen (zoals douanerechten) van belang is, maar ook het streven naar eerlijke concurrentie tussen ondernemingen binnen de Europese Unie. De sleutel tot de totstandkoming van de interne markt, wordt dan ook gevonden in het begrip vrij verkeer.  Vrij verkeer van goederen (vgl. art. 28 t/m 37 VWEU), vrij verkeer van personen (vgl. art. 45 t/m 55 VWEU), vrij verkeer van diensten (art. 56 t/m 62 VWEU) en vrij verkeer van kapitaal (art. 63 t/m 66 VWEU). Naast de concrete doelstellingen en bevoegdheden voor instellingen van de Europese Unie aangaande het vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal, zijn ook de bepalingen met betrekking tot de mededinging (art. 101 t/m 109 VWEU) noodzakelijk ter verwezenlijking van de derde doelstelling van de Europese Unie: de realisatie van een Europese interne markt.

Wanneer van toepassing?

Een van de doelstellingen van de Europese Unie is het tot stand brengen van een interne markt. Om deze interne markt te realiseren zijn de vier genoemde vrijheden (goederen, diensten, personen en kapitaal) en regels met betrekking tot de mededinging nodig. Er staat echter nog één vraag open: wanneer zijn de regels over vrij verkeer en mededinging van toepassing op een concrete situatie? In abstracto luidt het antwoord op deze vraag: als er sprake is van een economische activiteit. Het begrip ‘economische activiteit’ heeft een ruim bereik. De bakker die een brood verkoopt, verricht een economische activiteit (goederen). Een psycholoog die een cliënt behandelt, levert een economische activiteit (dienst). Enzovoorts. Twee klassieke arresten die over de reikwijdte van het begrip ‘economische activiteit’ gaan, zijn de arresten Bosman (Zaak C-415/93) en Höfner (Zaak C-41/90). De eerstgenoemde speelt in de sfeer van het vrij verkeer, de tweede in de sfeer van de mededinging. Heeft in een concrete situatie een activiteit geen economisch karakter – zoals het geval is bij een typische overheidstaak als het door de overheid verzorgd openbaar onderwijs –, dan valt het buiten het werkingsbereik van de bepalingen inzake de interne markt. Daarnaast moet er sprake zijn van een grensoverschrijdende situatie.