Kanovereniging onder de Wadden

Een niet-bekendgemaakte vaste bestuurspraktijk is een onvoldoende grondslag voor subsidieverlening. Tevens is bij een vaste bestuurspraktijk van incidentele subsidieverlening geen sprake meer.

De gemeenteraad van Franekeradeel heeft Kanovereniging onder de Wadden een subsidie van € 11 344,51 toegekend voor de realisatie van een kleedaccommodatie. De vereniging had ook subsidie aangevraagd voor een kanoloods en een instructieruimte, maar die is niet toegekend. Tegen de weigering van subsidie voor de kanoloods en de instructieruimte heeft de vereniging rechtsbescherming gezocht. In deze procedure bleek de verstrekte subsidie echter helemaal geen wettelijke grondslag te hebben.

Wettelijke grondslag

Artikel 4:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht schrijft voor dat een bestuursorgaan slechts subsidie verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. De gemeenteraad van Franekeradeel heeft zich niet aan deze bepaling gehouden. De subsidiëring van de kanovereniging heeft plaatsgevonden op basis van een geleidelijk ontstane vaste bestuurspraktijk om kleedaccommodaties van sportverenigingen te subsidiëren. Deze vaste bestuurspraktijk was niet opgenomen in beleidsregels, niet bekendgemaakt en dus kenbaar noch controleerbaar.

Geen incidenteel geval

Artikel 4:23, derde lid, onderdeel d, biedt bestuursorganen de mogelijkheid om in incidentele gevallen subsidie te verstrekken zonder dat hiervoor een wettelijke grondslag bestaat, op voorwaarde dat de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt verstrekt. Het bestaan van een vaste bestuurspraktijk om kleedaccommodaties van sportverenigingen te subsidiëren, maakt echter dat er geen sprake meer kan zijn van een incidenteel geval.

De gevolgen

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de rechtbank het bezwaarschrift van de sportvereniging terecht ongegrond verklaard heeft. Wèl had de rechtbank om proceseconomische redenen niet mogen bepalen dat de raad met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit moest nemen, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand moeten laten.(1)

Reformatio in peius

De oplettende lezer vraagt zich wellicht af waarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten worden, terwijl de grondslag voor het besluit ontbreekt. Of anders geformuleerd: waarom krijgt de kanovereniging toch de toegekende subsidie als de rechter meent dat dit subsidiebesluit nooit genomen had mogen worden? Op die vraag zijn twee antwoorden mogelijk. Het eerste antwoord is dat de rechter slechts gevraagd is om uitspraak te doen over de weigering subsidie te verlenen voor een kanoloods en een instructieruimte. De toegekende subsidie voor de kleedaccommodatie stond niet ter discussie en was voor de bestuursrechter dus een gegeven (vgl. art. 8:69 Awb). Het tweede antwoord op de vraag is dat, ook al had de subsidie voor de kleedaccommodatie wel ter discussie gestaan – bijvoorbeeld omdat de sportvereniging een hoger subsidiebedrag wil hebben – het verbod van reformatio in peius een dergelijke uitkomst onmogelijk maakt. Dit verbod houdt in dat degene die rechtsbescherming zoekt tegen een besluit, niet geconfronteerd mag worden met een verandering ten nadele van dit besluit.

Voetnoten

1
ABRvS 18 december 2002, AB 2003, 147. (Kanovereniging onder de Wadden)