Vaste VeranderMomenten I

Wijzigingen in wetten in de zin van artikel 81 van de Grondwet en algemene maatregelen van bestuur treden bij voorkeur op 1 januari of 1 juli in werking. Wijzigingen in ministeriële regelingen op 1 januari, 4 april, 1 juli of 1 oktober.  Daarbij bedraagt de minimale invoeringstermijn twee maanden.

Op 1 februari 2007 zonden de Minister van Financiën (dhr. G. Zalm - VVD) en de Minister van Justitie (dhr. E. M. H. Hirsch Ballin - CDA) het ‘Kabinetsplan aanpak administratieve lasten’ naar de Tweede Kamer.(1) Zij kondigden hierin aan dat in Nederland, in navolging van Groot-Brittannië, vanaf 2007 geëxperimenteerd zou gaan worden met wat de Britten common commencement dates noemen: vaste inwerkingtredingsdata en invoeringstermijnen. Oftewel: Vaste verandermomenten (afgekort: VVM). Door gebruik te gaan maken van Vaste verandermomenten wordt bedrijven en instellingen in en vroeg stadium en op een duidelijke wijze inzicht gegeven in wet- en regelgeving die op hen van toepassing zal worden en wordt hen een redelijke termijn gegeven om zich daarop voor te bereiden. In eerste instantie werd het experiment toegepast op zeven terreinen. Deze terreinen waren: AWBZ-regelgeving, Etikettering (Warenwet en regelgeving), primair en voortgezet onderwijs, milieuwet- en regelgeving, bouwwet -en regelgeving, financiële markten wet- en regelgeving en fiscale wet- en regelgeving. De reikwijdte van het experiment bleef beperkt tot wet- en regelgeving met effecten voor bedrijven en instellingen, waarbij met name de vraag van belang was of bedrijven en instellingen kosten moesten maken om bedrijfsprocessen of de organisatie aan te passen aan nieuwe wet- en regelgeving en hoeveel tijd zij daarvoor redelijkerwijs nodig hebben.

Het momentum

Afgesproken werd dat wet- en regelgeving slechts op twee momenten per jaar in werking kan treden: op 1 januari en op 1 juli. Bedrijven en instellingen moeten zich kunnen voorbereiden op veranderingen in de wet- en regelgeving. Daarom werd tevens afgesproken dat uitgegaan zou worden van een minimum invoeringstermijn van drie maanden. Deze termijn vangt aan op het tijdstip van de officiële publicatie van de desbetreffende regeling.  Een wet die op 1 januari in werking moet treden, moet dus uiterlijk op 1 oktober bekendgemaakt zijn. Wordt een wet op 3 oktober bekendgemaakt, dan kan deze pas op 1 juli van het volgend jaar in werking treden.

Evaluatie 2008

Halverwege 2008 is het experiment met Vaste verandermomenten geëvalueerd. Uit deze evaluatie bleek dat de meeste departementen, met uitzondering van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, konden voldoen aan de vaste inwerkingtredingsdata. Het vasthouden aan de minimum invoeringstermijn van drie maanden bleek in de praktijk echter nog wat lastig.(2) Het behaalde succes, leidde ertoe dat besloten werd met ingang van 1 januari 2009 vaste inwerkingtredingsdata en een minimale invoeringstermijn in te voeren voor alle wetten en AMvB’s (nieuwe of wijzigingen) met directe relevantie voor bedrijven en instellingen. Voor ministeriële regelingen – die vaak groot zijn in aantal, in principe geen of zeer korte invoeringstermijnen kennen en vaak per direct in werking treden – werd het toepassen van Vaste verandermomenten weliswaar wenselijk geacht, maar werd ook erkend dat dit in de praktijk lastig is. Als gevolg daarvan werd besloten de VVM op dit type regelgeving voorlopig niet meer toe te passen.

Evaluatie 2009

In december 2009 is opnieuw een evaluatie van de Vaste verandermomenten naar de Tweede Kamer gestuurd.(3) Opnieuw was sprake van een succes en dus werd wederom het werkingsbereik van de VVM uitgebreid. Dit keer besloot het kabinet om met ingang van 1 januari 2010 de Vaste verandermomenten in te voeren voor alle wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen, waarvan de voorbereiding startte op of na 1 januari 2010. Het onderscheid naar doelgroepen van regelgeving is dus komen te vervallen. Want niet alleen bedrijven en instellingen hebben behoefte aan duidelijkheid, ook burgers, publieke professionals en medeoverheden.

Ook op een ander punt is de reikwijdte van VVM sinds 1 januari 2010 uitgebreid: ministeriële regelingen. Voor deze regelingen bestaat nochtans de mogelijkheid om af te wijken van de twee vaste inwerkingtredingsdata en uit te gaan van maximaal vier inwerkingtredingsdata, te weten: 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober.

De minimale invoeringstermijn is eveneens per 1 januari 2010 gewijzigd; deze bedraagt nu twee maanden. Dit tot verbazing van de fracties van CDA, PvdA en VVD in de Tweede Kamer.(4) In de praktijk bleek een minimale invoeringstermijn van drie maanden echter vaker niet dan wel gerealiseerd te kunnen worden; met name bij ministeriële regelingen. Bovendien beperkt een lange invoeringstermijn voor ministeriële regelingen de flexibiliteit van dit instrument te zeer. Omwille van de eenvoud en de efficiëntie, zowel voor doelgroepen van de regelgeving als voor de overheidsorganisaties zelf, is gekozen voor één invoeringstermijn voor wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen. Dat neemt niet weg dat ministeries een langere invoeringstermijn mogen hanteren.

Uitzonderingen

Op het hier geschetste systeem van Vaste verandermomenten bestaan vier uitzonderingen. Daarnaast gelden voor het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap andere Vaste verandermomten.

Voetnoten

1
Kamerstukken II Vergaderjaar 2006/07, 29 515, nr. 181.
2
Kamerstukken II Vergaderjaar 2008/09, 29 515, nr. 270.
3
Kamerstukken II vergaderjaar 2009/10, 29 515, nr. 309.
4
Kamerstukken II vergaderjaar 2009/10, 29515, nr. 321, p. 3.