Vaste VeranderMomenten II

Sinds 1 januari 2010 gelden voor wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen vaste momenten voor hun inwerkingtreding en minimale invoeringstermijnen. Op deze zogenoemde Vaste VeranderMomenten (afgekort: VVM) bestaan echter ook uitzonderingen.

1. Algemene uitzonderingen

Toen de rijksoverheid op beperkte schaal – alleen bij wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen op zeven terreinen voor zover die directe relevantie hadden voor bedrijven en instellingen – begon te experimenteren met Vaste VeranderMomenten, werden ook direct vier algemene uitzonderingen erkend.(1) Vier gevallen waarin afgeweken mag worden van de vaste verandermomenten. Voorwaarde daarvoor is dan wel dat in de memorie of de nota van toelichting van een regeling duidelijk wordt gemotiveerd welke uitzonderingsgrond wordt gehanteerd en waarom. In de praktijk wordt op departementen echter ruimhartig gebruik gemaakt van onderstaande uitzonderingen.(2)

1.1. Hoge c.q. buitensporige private of publieke voor- of nadelen van vertraging of vervroeging van invoering

De wetgever hoeft niet aan de vaste verandermomenten en invoeringstermijnen vast te houden als bedrijven en instellingen of anderen
gebaat zijn bij een spoedige inwerkingtreding of als er sprake is van reparatie
van onbedoelde negatieve effecten van wet- en regelgeving voor bedrijven en
instellingen. Hetzelfde geldt als de overheid bij toepassing van de VVM geconfronteerd zou worden met buitensporig hoge kosten. Evenmin hoeven de vaste momenten voor inwerkingtreding voor wet- en regelgeving afgewacht te worden als de regelgeving een directe relatie heeft met andere jaarindelingen (bijvoorbeeld begrotingsjaar, leer/schooljaar, subsidiejaar of seizoensgebonden regelingen). Een recent voorbeeld van deze uitzondering is de invoering van de Voetbalwet in 2010, welke bij de start van het nieuwe voetbalseizoen in werking trad. Sinds de evaluatie van de VVM in 2008 is in de toelichting bij deze uitzondering nog een vijfde voorbeeld opgenomen. Ook in geval van regelgeving die gepaard gaat met uitgebreide
voorlichtingstrajecten en overleggen met doelgroepen kan een andere datum voor de inwerkingtreding van de regeling worden gekozen.(3)

Het is opvallend dat bij de evaluatie in 2010 van de VVM uit onderzoek is gebleken dat de overheid deze uitzonderingsgrond regelmatig toepast in geval van vroegtijdig voordeel voor bedrijven en instellingen, terwijl bedrijven en instellingen juist aangeven een systeem met vaste inwerkingtredingsdata en een minimale invoeringstermijn, en daarmee extra voorbereidingstijd, te prefereren boven het voordeel van vervroegde inwerkingtreding.(4)

1.2. Spoed- of noodregelgeving

Van spoed- of noodregelgeving is sprake wanneer zaken zodanig dringend regeling behoeven dat daarmee niet tot het eerstvolgende vaste verandermoment kan worden gewacht. Gedacht kan worden aan noodmaatregelen bij de uitbraak van dierziekten of in het kader van veiligheid en terrorismebestrijding. Ook met een beroep op de effectieve rechtshandhaving kan van de VVM worden afgeweken.

1.3. Reparatiewetgeving

Als rechterlijke uitspraken dwingen tot aanpassing van wet- en regelgeving, is er sprake van reparatiewetgeving. Ook reparaties in wet- en regelgeving, bijvoorbeeld om koopkrachtplaatjes bij te sturen, vormt een grond om van de Vaste VeranderMomenten af te wijken.

1.4. Europese of internationale regelgeving

De vierde en laatste algemene grond om van de Vaste VeranderMomenten af te wijken, is tevens degene die het vaakst door ministeries wordt ingeroepen: Europese of internationale regelgeving. Europese en internationale regelgeving vereist (regelmatig) aanpassing van Nederlandse wet- en regelgeving. Daarbij moeten vaak vaste implementatietermijnen in acht worden genomen. Dit kan leiden tot afwijking van de vaste verandermomenten of de redelijke invoeringstermijn.

Bij de evaluatie in 2010 bleek evenwel dat departementen ook graag van deze uitzonderingsgrond gebruik maken als de Europese implementatietermijnen wel ruimte bieden om rekening te houden met de vaste inwerkingtredingsdata en/of de minimale invoeringstermijn.(5) Dit is echter niet de bedoeling!

2. Bijzondere vaste verandermomenten

Hiervoor zijn vier algemene uitzonderingen op het beginsel van vaste verandermomenten weergegeven. De eerstgenoemde algemene uitzondering bracht reeds mee dat afgeweken kan worden van de vaste momenten voor inwerkingtreding van wet- en regelgeving als de regelgeving een directe relatie heeft met andere jaarindelingen, zoals in het onderwijs. Om die reden gelden voor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap andere vaste verandermomenten dan voor de overige departementen. Aangezien het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs op 1 augustus aanvangen, zijn de vaste verandermomenten van wetten en AMvB’s die op deze schooltypen zien 1 januari en 1 augustus. Wetten en AMvB’s die voor het hoger onderwijs geschreven zijn kennen 1 januari en 1 september als vaste verandermomenten, omdat op 1 september het studiejaar begint.(6) Voor ministeriële regelingen op het terrein van onderwijs worden de volgende data gekozen om aan te sluiten op het schooljaar en het studiejaar: 1 januari, 1 april, 1 augustus of 1 september en 1 oktober.(7)

Voetnoten

1
Kamerstukken II Vergaderjaar 2006/07, 29 515, nr. 181.
2
Kamerstukken II vergaderjaar 2009/10, 29 515, nr. 309., p. 6.
3
Kamerstukken II Vergaderjaar 2008/09, 29 515, nr. 270, p. 6.
4
Kamerstukken II vergaderjaar 2009/10, 29 515, nr. 309., p. 6.
5
Kamerstukken II vergaderjaar 2009/10, 29 515, nr. 309., p. 6.
6
Kamerstukken II Vergaderjaar 2008/09, 29 515, nr. 270., p. 5.
7
Kamerstukken II vergaderjaar 2009/10, 29 515, nr. 309., p. 3.