Niet-nakoming omgangsregeling niet altijd misdrijf

Het niet naleven van een omgangsregeling door de ene ouder, betekent niet per definitie dat er een inbreuk wordt gemaakt op het recht c.q. de plicht van de andere ouder tot het uitoefenen van het gezag.

Een man en een vrouw zijn op 8 december 2008 van elkaar gescheiden. Op die dag is er ook een voorlopige omgangsregeling vastgesteld met betrekking tot hun minderjarige zoon. Volgens deze regeling heeft de man elke zondag van 11.00 tot 18.00 uur recht op omgang met zijn zoon. Op zondag 6 april 2008 reed de man naar de woning van zijn ex-vrouw om zijn zoon op te halen. De vrouw heeft echter het kind niet meegegeven. De man heeft hierop aangifte gedaan tegen zijn ex-vrouw wegens overtreding van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie te Breda heeft besloten de vrouw niet te vervolgen. Tegen deze beslissing heeft de man een klaagschrift ingediend bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Art. 279 Wetboek van strafrecht

In artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht wordt het opzettelijk onttrekken van een minderjarige aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vierde categorie. Als de minderjarige elf jaar of jonger is óf bij de onttrekking geweld wordt gebezigd danwel daarmee gedreigd wordt, geldt een hogere maximum straf. Volgens de officier van justitie kon de vrouw echter niet vervolgd worden voor dit misdrijf.

Gezag en ouderlijk gezag

Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft vastgesteld dat zowel de man (klager) als de vrouw (beklaagde) het ouderlijk gezag over hun minderjarige zoon uitoefenen. De vrouw heeft wel geprobeerd de zoon te bewegen tot omgang met zijn vader, maar de zoon weigert deze omgang met zijn vader te hebben. Het niet meegeven van de zoon in het kader van de omgangsregeling levert volgens het gerechtshof dan ook geen “ontrekken van een minderjarige aan het wettig over hem gesteld gezag” op als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van strafrecht. Gezag, als bedoeld in artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek, reikt verder dan het enkele recht op omgang. Het niet naleven van een omgangsregeling door de ene ouder, betekent niet per definitie dat er een inbreuk wordt gemaakt op het recht c.q. de plicht van de andere ouder tot het uitoefenen van het gezag. Immers het ouderlijk gezag gaat verder dan slechts een omgangsregeling en kan ook uitgeoefend worden op die momenten dat er geen sprake is van een daadwerkelijke omgang met het minderjarige kind.(1)

Voetnoten

1
Hof 's-Hertogenbosch 29 september 2009, LJN BK9072.