Beëindigingsovereenkomsten en carrièrekansen

Wie een beëindigingsovereenkomst met zijn werkgever sluit moet eerlijk zijn over zijn kansen op de arbeidsmarkt. Lopende onderhandelingen over een nieuwe functie mogen niet verzwegen worden. De werknemer die dergelijke belangrijke informatie verzwijgt, brengt een overeenkomst tot stand onder invloed van dwaling (Art. 6:228 BW). Een dergelijke overeenkomst is vernietigbaar.

Een werknemer is op 1 oktober 1986 in dienst getreden bij de Coöperatieve Rabobank Schouwen-Duiveland U.A.. In 2004 heeft deze bank besloten haar makelaars-activiteiten af te stoten. Op 15 april 2005 hebben de bank en de werknemer overeenstemming bereikt aangaande de ontbinding van de overeenkomst per 30 april 2005. Krachtens deze overeenkomst zou de werknemer een vergoeding van € 172.892,- bruto meekrijgen, waarvan hij echter de helft terug zou moeten betalen als hij binnen twee jaar weer in dienst zou treden bij een onderdeel van de Rabobank Groep.

Een nieuwe baan

Conform afspraak werd de arbeidsovereenkomst op 30 april 2005 wegens gewichtige redenen ontbonden onder toekenning van bovengenoemd bedrag. Op 1 mei 2005 is de werknemer in de functie van registermakelaar-taxateur in dienst getreden van Stad & Zeeland Makelaars BV te Goes. Rabobank Beveland is enig aandeelhouder van deze besloten vennootschap. De advocaat van Rabobank Schouwen-Duiveland heeft hierop de op 15 april 2005 gesloten beëindigingsovereenkomst eenzijdig vernietigt, omdat de werknemer tijdens de onderhandelingen en daarop volgende ontbindingsprocedure heeft verzwegen dat hij aansluitend aan de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met Rabobank Schouwen-Duiveland in dienst is getreden bij Stad & Zeeland Makelaars.

Dwaling

De rechtsvraag die het gerechtshof in casu is voorgelegd, is of de werknemer vóór de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst aan Rabobank Schouwen-Duiveland bepaalde inlichtingen over een hem gedaan aanbod door Stad & Zeeland had behoren te geven teneinde te voorkomen dat de werkgever zich over dit punt een onjuiste voorstelling van zaken zou maken. Volgens het gerechtshof is dit inderdaad het geval, omdat het verzwegen feit van belang is voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja, tot welke hoogte, door de bank aan de werknemer een vergoeding zou worden aangeboden bij de beëindiging van het dienstverband. Als de werkgever bekend was geweest met de mogelijkheid van de werknemer om een andere soortgelijke functie te verkrijgen, zou zij niet bereid zijn geweest om een vergoeding als was overeengekomen te betalen. Hierin ligt besloten dat Rabobank Schouwen-Duiveland bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten en dat van nadeel aan de zijde van Rabobank Schouwen-Duiveland sprake is. In het licht van de oneerlijke houding van [de werknemer] tijdens de onderhandelingen met Rabobank Schouwen-Duiveland behoort de dwaling, mede gelet op de in het verkeer geldende opvattingen, voor rekening van [de werknemer] te komen.(1)

Voetnoten

1
Gerechtshof 's-Gravenhage 19 januari 2010, LJN BL2560.