Terinzagelegging en zicht op legalisatie

Alleen de tijdige terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan dat voorziet in legalisatie kan tot het oordeel leiden dat ten tijde van het besluit op bezwaar concreet zicht op legalisatie bestond.

Iemand – ik heb helaas niet kunnen vinden wie of wat – heeft het college van burgemeester en wethouders van Montfoort gevraagd om handhavend op te treden tegen een bedrijf, vanwege de overtreding van artikel 33, vijfde lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. De BV zou onrechtmatig goederen buiten opslaan. Dit verzoek is op 1 november 2005 door het college afgewezen.

Beginselplicht tot handhaven

Moet een bestuursorgaan in een dergelijk geval handhavend optreden? In rechtsoverweging 2.3 herhaalt de Afdeling haar standaardoverweging bij een dergelijke vraag: Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.(1) Er geldt dus een beginselplicht tot handhaving. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan van het bestuursorgaan gevergd worden een overtreding van een wettelijk voorschrift te gedogen.

Geen concreet zicht op legalisatie

In deze uitspraak wordt de vraag opgeroepen waaraan het concrete uitzicht op legalisatie ontleend kan worden. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied 1e herziening’ van 28 februari 2008 is op 4 juni 2008 ter inzage gelegd en stond de buitenopslag van goederen niet toe. Appellant heeft hier zienswijzen tegen ingediend. Op 20 april 2009 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1e herziening’ gewijzigd vastgesteld, zodat ná 20 april 2009 de buitenopslag van goederen wel toegestaan is volgens het bestemmingsplan. De vraag is of het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 2 december 2008 het bezwaarschrift tegen de weigering tot handhaving over te gaan ongegrond kon verklaren met de motivering dat er concreet uitzicht op legalisatie bestond. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State meent van niet.(2) Alleen de tijdige terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan dat voorziet in legalisatie, kan tot het oordeel leiden dat ten tijde van het besluit op bezwaar concreet zicht op legalisatie bestond. Nu het ter inzage gelegde bestemmingsplan hier niet in voorzag, was er ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaarschrift bijgevolg geen concreet uitzicht op legalisatie en had het college handhavend moeten optreden tegen de BV.

Voetnoten

1
Vgl. ABRvS 30 juni 2004, JB 2004, 293 (Haarlemse dakkapel).
2
ABRvS 16 december 2009, LJN BK6724.