Formele rechtskracht en zuivere schadebesluiten

Als een burger een bezwaarschrift tegen de afwijzing van zijn aanvraag intrekt, dan krijgt de afwijzing van de aanvraag formele rechtskracht. Als de burger vervolgens schadevergoeding vraagt voor de schade die hij lijdt door de afwijzing van zijn aanvraag, dan moet dit verzoek worden afgewezen.

Op 30 augustus 1999 heeft een ziekenhuis in Nederland een tewerkstellingsvergunning aangevraagd bij de – destijds bestaande – Centrale organisatie werk en inkomen (afgekort: COWI) voor een werknemer van Surinaamse afkomst. De werknemer zou bij het ziekenhuis in dienst treden als assistent-geneeskundige in opleiding. Bij besluit van 26 januari 2000 is deze aanvraag afgewezen, waarna de werknemer een bezwaarschrift heeft ingediend en een voorlopige voorziening (ex art. 8:81 Awb)  bij de bestuursrechter heeft aangevraagd. Deze voorlopige voorziening is op 23 mei 2000 toegekend, omdat de bestuursrechter meende dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zou houden. Op 10 december 2001 heeft de werknemer zijn bezwaarschrift ingetrokken, omdat hij zijn opleiding per 1 oktober 2001 heeft vervolgd in het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam.

Aanvraag van een zelfstandig schadebesluit

Op 13 juli 2000 heeft de werknemer, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzitter van de rechtbank in kort geding, de COWI verzocht een zelfstandig schadebesluit te nemen. Dit verzoek tot het toekennen van schadevergoeding is op 28 november 2003 door de COWI afgewezen. Het tegen deze afwijzing ingediende bezwaarschrift is ongegrond verklaard, waarna de werknemer tegen dit besluit op bezwaar in beroep is gegaan bij de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Formele rechtskracht

Wanneer een burger een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke voorziening niet benut, moet van de formele rechtskracht van het niet aangevochten besluit worden uitgegaan. In deze casus heeft de werknemer tegen het primaire besluit van 26 januari 2000 een bezwaarschrift ingediend, maar zijn bezwaar ingetrokken. Ook in deze casus is de bestuursrechtelijke voorziening dus uiteindelijk niet benut, zodat het besluit van 26 januari 2000 – inhoudende de afwijzing van de aanvraag van de tewerkstellingsvergunning – formele rechtskracht heeft gekregen. Dat wil zeggen dat de rechter ervan dient uit te gaan dat die beschikking zowel wat haar wijze van totstandkomen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wet¬telijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Dit geldt in beginsel óók dan, indien dit de burger¬lijke rechter ertoe zou nopen aan zijn uitspraak de rechtsgeldigheid ten grondslag te leggen van een beschikking waarvan als vaststaand mag worden aangenomen dat zij, áls daartegen tijdig administratiefrechtelijk beroep zou zijn ingesteld, zou zijn vernietigd.(1)

Geen uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht

In zijn beroep bij de rechtbank ‘s-Gravenhage stelde de werknemer dat in zijn geval een uitzondering gemaakt zou moeten worden op het beginsel van formele rechtskracht. Hij had zijn bezwaarschrift immers alleen ingetrokken, omdat hij geen belang meer had bij gevraagde tewerkstellingsvergunning. De bestuursrechter volgde deze redenering echter niet. Deze omstandigheid kan evenwel niet leiden tot een uitzondering op het hierboven bedoelde beginsel van de formele rechtskracht. Voorafgaande aan de intrekking van het bezwaar had de werknemer verweerder reeds verzocht een zelfstandig schadebesluit te nemen. Daarmee had het bezwaar zijn zin en belang niet verloren: het bezwaar kon immers worden voortgezet om de onrechtmatigheid van het besluit vast te stellen met het oog op het ingediende verzoek tot het verkrijgen van schadevergoeding. Dat de voorzitter van de rechtbank een voorlopige voorziening heeft toegekend omdat hij meende dat het primaire besluit van 26 januari 2000 geen stand zou houden, doet hier niets aan af. Dat is immers slechts een voorlopig oordeel.

Terechte afwijzing

De rechtbank ‘s-Gravenhage moest dus – ondanks dat bijna vaststond dat het besluit van 26 januari 2000, áls daartegen tijdig administratiefrechtelijk beroep zou zijn ingesteld, zou zijn vernietigd – van de rechtsgeldigheid van dit besluit uitgaan. Dit heeft tot gevolg dat de beweerde schade niet ontstaan kan zijn ten gevolge van de onrechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, omdat de formele rechtskracht met zich meebrengt dat er vanuit gegaan moet worden dat deze bevoegdheid rechtmatig uitgeoefend is. Het verzoek om een zelfstandig schadebesluit was door het COWI dan ook terecht afgewezen.

Voetnoten

1
HR 16 mei 1986 NJ 1986, 723 ro. 3.3.2 (Heesch / Van de Akker).