Geen ZSB bij schade t.g.v. feitelijk handelen

De beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om de schade te vergoeden die iemand heeft geleden door feitelijk handelen van een ambtenaar, welk feitelijk handelen geen uitvloeisel is van de uitoefening van een bevoegdheid binnen de context van een publiekrechtelijke rechtsverhouding, is geen zuiver schadebesluit.

Een man is op 29 augustus 1988 betrokken geraakt bij een vechtpartij. Daarbij heeft hij een beenbreuk opgelopen door toedoen van een agent (buiten diensttijd). Ter behandeling van deze beenbreuk is de man opgenomen geweest in een ziekenhuis. Na allerlei instanties afgelopen te zijn om schadevergoeding te vragen voor dit incident, heeft de man op 24 april 1994 bij de minister van Justitie ƒ25.000.000,- ( ? € 11.344.505,-) aan schadevergoeding geëist. De minister heeft dit verzoek afgewezen.

Herhaald verzoek

Op 16 juni 2005 diende de man opnieuw een verzoek bij de minister van Justitie in om schadevergoeding te betalen. Dit keer eiste hij alleen een substantieel lager bedrag. Opnieuw heeft de minister van Justitie afwijzend beslist op dit verzoek. Hiertegen heeft de man een bezwaarschrift ingediend. De minister, van mening dat er geen sprake was van een besluit, heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Van Vlodrop-criteria

Is de afwijzing door de minister van Justitie van het verzoek om schadevergoeding te betalen in casu inderdaad geen zuiver schadebesluit zoals de minister van Justitie meende? De rechtbank Haarlem, die deze zaak kreeg voorgelegd, gebruikt de criteria die de Afdeling in de Van Vlodrop-uitspraak heeft gegeven om het antwoord op deze vraag te vinden. Tegen de beslissing van de minister kan volgens haar alleen bestuursrechtelijke rechtsbescherming worden gezocht, als de beslissing voldoet aan het materiële en het processuele connexiteitsvereiste. Dit betekent dat de gestelde schade veroorzaakt moet zijn binnen het kader van de uitoefening door het betreffende bestuursorgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid en dat slechts beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, indien ook tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid beroep (en dus ook bezwaar) had kunnen worden ingesteld.

Toepassing van de criteria

De schade – de beenbreuk en de financiële gevolgen daarvan – is in deze casus veroorzaakt door feitelijk handelen van een politieagent. Dit feitelijk handelen was geen uitvloeisel van de uitoefening van een bevoegdheid binnen de context van een publiekrechtelijke rechtsverhouding. Het voorval geschiedde immers buiten diensttijd. Daarom overweegt de rechtbank Haarlem in rechtsoverweging 2.15: Met betrekking tot door het fysiek geweld opgelopen beenletsel stelt de rechtbank vast dat het beweerdelijk schadeveroorzakend handelen door de politieambtenaar buiten diensttijd geschiedde en niet in de uitoefening van enige publiekrechtelijke bevoegdheid, niet van de betreffende politieambtenaar en evenmin van verweerder. Ten aanzien van de beweerdelijk uit het beenletsel voortvloeiende schade wordt derhalve niet aan het materiële connexiteitsvereiste voldaan. Het feitelijk handelen van de buiten diensttijd agerende politieambtenaar kan niet als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt. Daartegen kan eiser dus geen beroep instellen. Aan het processuele connexiteitsvereiste is daarom evenmin voldaan.(1) De minister van Justitie had het bezwaarschrift van de man dus op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.

Voetnoten

1
Rb. Haarlem 16 november 2006, LJN AZ2720.