Re-integratietraject is geen dwangarbeid

Een re-integratietraject moeten volgen is niet in strijd met het verbod op verplichte arbeid zoals dat in artikel 4 lid 2 van het EVRM is neergelegd. Dat zou het pas kunnen zijn als van iemand niet (meer) verlangd kan worden de opgedragen activiteiten of werkzaamheden te verrichten vanwege het excessief of disproportioneel belastende karakter ervan en/of het totaal ontbreken daaraan van enig perspectief richting arbeidsinschakeling.

De keuze van een re-integratievoorziening

Appellant heeft bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) te kennen gegeven bij wijze van re-integratietraject stage te willen lopen als webdesigner bij een bedrijf. Deze stageplaats was door het college van burgemeester en wethouders echter niet aangemerkt als een voor de arbeidsinschakeling van appellant noodzakelijke voorziening, Mede om die reden kon appellant zich niet onttrekken aan het intakegesprek voor het re-integratietraject bij Consolid BV. Het is immers aan het college van burgemeester en wethouders om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de betrokkene is aangewezen om het beoogde doel (arbeidsinschakeling) te bereiken.

Hoyatraject

Nadat appellant meermaals verzuimd heeft voor een intakegesprek bij Consolid BV te komen, heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam hem aangemeld voor het Hoyatraject. Deze re-integratievoorziening heeft als doel de algemene werknemersvaardigheden bij de deelnemers te ontwikkelen. Te denken valt aan: arbeidsmotivatie, leerbaarheid, belastbaarheid, werktempo en persoonlijk en sociaal functioneren. Een onderdeel van het traject kan bestaan uit strak begeleid werk in broeikassen.

Geen dwangarbeid

In hoger beroep heeft de uitkeringsgerechtigde betoogd dat de hem opgelegde verplichting het Hoyatraject te volgen in strijd is met artikel 4 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De Centrale Raad van Beroep gaat daar echter niet in mee. Van slavernij of dienstbaarheid in de zin van artikel 4 lid 1 EVRM is volgens de Raad evident geen sprake, omdat de totale levenssituatie of toestand van de man nimmer in het geding is geweest. Ook van dwangarbeid in de zin van het tweede lid van artikel 4 EVRM is geen sprake, omdat er geen fysieke dwang of in aanmerking te nemen psychische dwang op appellant is uitgeoefend.

Verbod op verplichte arbeid

Naast een verbod op dwangarbeid bevat artikel 4 lid 2 van het EVRM ook een verbod op verplichte arbeid. Bij de beantwoording van de vraag of een op de in de Wet werk en bijstand neergelegde regeling inzake arbeidsinschakeling gebaseerd concreet besluit verenigbaar is met artikel 4 van het EVRM, komt volgens de Centrale Raad van Beroep in elk geval aan de volgende omstandigheden betekenis toe:
1) de aard, de plaats, de duur en de werktijden van de in het kader van de aangeboden voorziening te verrichten werkzaamheden in relatie tot de mogelijkheden, de werkervaring, de opleiding en de gezinssituatie van de betrokkene,
2) de duur van de werkloosheid van de betrokkene,
3) of en zo ja, hoe de aangeboden voorziening kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de betrokkene, en
4) de zwaarte van de sanctie bij niet meewerken aan de aangeboden voorziening.(1)
Omdat appellant al 18 jaar een bijstandsuitkering ontvangt en er tot dusverre nooit in geslaagd is op eigen kracht door middel van arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien. Omdat eerdere trajecten appellant niet hebben gebaat en omdat het traject bij Consolid door toedoen van appellant niet is doorgegaan, kan naar het oordeel van de Raad niet op voorhand worden uitgesloten dat het aanleren van arbeids- en werknemersvaardigheden zoals met het Hoyatraject beoogd, kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling van appellant. Van appellant kon derhalve in ieder geval worden gevergd deel te nemen aan de eerste week van het Hoyatraject en in dat kader mee te werken aan een assessment. (...) Pas zodra van een (beoogde) deelnemer aan een voorziening als het Hoyatraject, gelet op alle omstandigheden, niet (meer) verlangd kan worden de opgedragen activiteiten of werkzaamheden te verrichten vanwege het excessief of disproportioneel belastende karakter ervan en/of het totaal ontbreken daaraan van enig perspectief richting arbeidsinschakeling, zou naar het oordeel van de Raad sprake kunnen zijn van verplichte arbeid en zal in zoverre met succes een beroep kunnen worden gedaan op artikel 4 van het EVRM.

Voetnoten

1
CRvB 8 februari 2010 LJN BL1093. Zie ro. 9.4.11.