De aannemelijkheid van verzending

Bij een geschil over de vraag of een besluit al of niet is verstuurd, dient het bestuursorgaan de verzending van dit stuk aannemelijk te maken. Wanneer het bestuursorgaan daarin slaagt, ligt het op de weg van de geadresseerde om, indien daartoe aanleiding bestaat, de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen.

Een besluit wordt in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het eerste lid van artikel 1:3 gedefinieerd als een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een mondelinge beslissing van een bestuursorgaan kan dus per definitie geen besluit zijn. De eis dat een besluit schriftelijk moet zijn, heeft bewijstechnische voordelen. De inhoud van het besluit wordt kenbaar uit het schriftelijk stuk, zodat aangetoond kan worden of het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen op een toelaatbare wijze handelt. Volgens artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het bekendgemaakt is. De manier waarop een bestuursorgaan een besluit bekend maakt hangt af van het type besluit. Beschikkingen worden zo mogelijk aan de betrokkene toegezonden of persoonlijk uitgereikt (vgl. art. 3:41 Awb). Besluiten van algemene strekking daarentegen worden ergens gepubliceerd waar een ieder geacht wordt er kennis van te nemen (vgl. art. 3:42 Awb).

Iets ontvangen of niets ontvangen

Soms komt het voor dat een burger claimt een beschikking niet te hebben ontvangen, terwijl het bestuursorgaan zegt het besluit wel verzonden te hebben. Dat was bijvoorbeeld het geval bij een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over een vrouw die het college van burgemeester en wethouders van Culemborg om toestemming had gevraagd om een speelautomatenhal te mogen exploiteren. Tegen de weigering van deze toestemming diende de vrouw te laat een bezwaarschrift in; naar eigen zeggen, omdat zij niet eerder op de hoogte was van het feit dat haar aanvraag was afgewezen.

Onder verwijzing naar haar uitspraak van 10 december 2008 herhaalde de Afdeling dat ingeval van niet-aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde besluiten, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om, indien daartoe aanleiding bestaat, de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst als dat gebeurt, is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan door de geadresseerde aannemelijk te maken.(1)

Aannemelijkheid van verzending

Het criterium dat de Afdeling in dit soort zaken gebruikt, roept de vraag op hoe een bestuursorgaan aannemelijk kan maken dat een besluit is verzonden. Eén van de manieren waarop zij dit kan doen, is door een verzendbewijs kwijtgetraakt zou zijn. Dat was hier echter niet het geval. Nu appellante geen inzicht kon bieden in de inrichting van haar administratie van ingekomen post en het zoek raken van post in Nederland op het traject tussen verzender en geadresseerde tot de hoge uitzonderingen behoort, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het besluit haar niet heeft bereikt. Het bezwaarschrift dat te laat was ingediend, was dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Voetnoten

1
ABRvS 10 december 2008, LJN BG6407.