APV-vordering niet krachtens wettelijk voorschrift

Een vordering dat krachtens een APV-bepaling wordt gegeven – een bepaling die zelf berust op artikel 2 van de Politiewet 1993 – is geen bevel krachtens wettelijk voorschrift in de zin van artikel 184 Sr. Dit komt omdat de APV-bepaling het lot van de wettelijke bepaling waarop zij berust deelt. Het niet opvolgen van een vordering op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 kan namelijk ook niet leiden tot overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.

De gemeente Hof van Twente had in artikel 2:1 van de Algemene plaatselijke verordening Hof van Twente 2009 een bepaling opgenomen betreffende samenscholing en ongeregeldheden. In deze bepaling was ondermeer de grondslag te vinden voor de bevoegdheid van een politieagent omstanders in bepaalde situaties te vorderen hun weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Op zondag 16 augustus heeft een verdachte geen gehoor gegeven aan een dergelijke vordering. Heeft de betreffende persoon nu artikel 184, eerste lid, van het wetboek van Strafrecht overtreden?

Art. 184 lid 1 Sr:
Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Krachtens wettelijk voorschrift

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem geoordeeld dat de hier opgeworpen vraag ontkennend moet worden beantwoord. Artikel 2:1 van de Algemene plaatselijke verordening Hof van Twente 2009 was gebaseerd op de modelverordening van de VNG. Blijkens de toelichting ziet de bepaling op bestaande politiebevoegdheden en berust hij op de artikelen 2 en 12 van de Politiewet 1993.

Art. 2 Pw 1993:
De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

In 2008 heeft de Hoge Raad reeds geoordeeld (NJ 2008, 206) dat een wettelijk voorschrift in de zin van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, uitdrukkelijk moet inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Het gerechtshof: Artikel 2 van de Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet worden voldaan. (...) Als een op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 gegeven vordering bij niet-opvolging niet kan leiden tot overtreding van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, dan kan niet-opvolging van een vordering op grond van een APV-bepaling die op artikel 2 van de Politiewet 1993 is gebaseerd, evenmin leiden tot overtreding van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.(1)

Zelfstandige bevoegdheid

Zou de zelfstandige bevoegdheid van een politieagent tot het geven van een bevel tot verwijdering ook in de APV gelezen kunnen worden? Dit is niet het geval. Volgens het gerechtshof kunnen in een gemeentelijke verordening niet meer bevoegdheden worden toegekend dan in de wetten in formele zin, waarop die verordening is gebaseerd, wordt toegestaan. Een verder strekkende bepaling in een gemeentelijke verordening zou in zoverre onverbindend zijn.

Voetnoten

1
Gerechtshof Arnhem 25 maart 2010, LJN BM1084.