Rechterlijke toetsing van een tijdelijk huisverbod

Bij de toetsing van een door de burgemeester opgelegd tijdelijk huisverbod, moet de rechter ook kijken naar de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de oplegging van het huisverbod.

Bij besluit van 29 september 2009 heeft de burgemeester van de gemeente Hof van Twente op grond van de Wet tijdelijk huisverbod een man gelast de echtelijke woning onmiddellijk te verlaten en niet voor 9 oktober 2009 weer te betreden. Aanleiding was het vermoeden dat de aanwezigheid van de man een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van zijn echtgenote en de twee kinderen.

Bij mondelinge uitspraak van 8 oktober 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo dit besluit vernietigd, omdat de echtgenote van de man sinds 2 oktober 2009 in Amsterdam woont en de kinderen op 6 oktober 2009 uit huis zijn geplaatst. Daardoor waren, aldus de voorzieningenrechter, de feiten en omstandigheden zodanig gewijzigd dat het gevaar of het vermoeden van gevaar was geweken en het huisverbod niet langer gerechtvaardigd was. Tegen dit oordeel is de burgemeester in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Een imperatieve termijn?

Artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod schrijft voor dat het tijdelijk huisverbod dat door de burgemeester kan worden opgelegd, behoudens verlenging, tien dagen duurt. In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vraag moeten beantwoorden of de burgemeester gehouden is om zich gedurende het verstrijken van die termijn ambtshalve ervan te vergewissen of nog aan de toepassingsvoorwaarden voor het opleggen van het huisverbod is voldaan.

Art. 2 lid 1 Wet tijdelijk huisverbod:
De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Omvang van rechterlijke toetsing

Volgens de Afdeling volgt uit het stelsel van de Wet tijdelijk huisverbod dat de rechter in de eerste plaats moet beoordelen of het huisverbod had mogen worden opgelegd. Als het huisverbod nog geldt op de dag waarop de rechter zijn uitspraak doet, dient hij (...) vervolgens te bezien of zich na de oplegging of de verlenging van het huisverbod feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan zich ten tijde van de beoordeling door de rechter niet langer voordoet, zodat het niet gerechtvaardigd is het huisverbod te laten voortduren. Deze verplichting is terug te vinden in artikel 6 lid 3 van de Wet tijdelijk huisverbod. Het betoog dat de burgemeester zich gedurende het verstrijken van de tien dagen er niet ambtshalve van behoeft te vergewissen of nog aan de toepassingsvoorwaarden voor het opleggen van het huisverbod is voldaan, wat daar ook van zij, laat deze beoordeling door de rechter onverlet.(1)

Voetnoten

1
ABRvS 19 mei 2010, LJN BM4987.