Geen bezwaargronden maar wel een zienswijze

Als een ambtenaar een zienswijze heeft ingebracht tegen zijn ontslag, dan moet het – ook als in het bezwaar tegen het uiteindelijke ontslagbesluit alleen op de al dan niet ontvankelijkheid daarvan wordt ingegaan – de minister duidelijk zijn dat een ambtenaar ook inhoudelijk bezwaren heeft tegen dit ontslag. Zeker gezien de omstandigheden van het geval.

Op 18 juni 2007 heeft een man, werkzaam bij de Belastingdienst in groepsfunctie C, met toepassing van artikel 99 van het Algemeen Rijks-ambtenarenreglement eervol ontslag gekregen, omdat er een ernstige en onherstelbare vertrouwensbreuk tussen hem en zijn leidinggevende(n) is ontstaan. Dit besluit ontving de man pas op 21 juli 2007, samen met een brief van de minister van Financiën van 20 juli 2007. Bij brief van 1 augustus 2007 heeft de man tegen dit ontslagbesluit bezwaar gemaakt, maar zijn bezwaar werd kennelijk ongegrond verklaard.

Niet afzien van hoorplicht

In zijn bezwaarschrift heeft de man slechts argumenten naar voren gebracht die zien op de ontvankelijkheid van zijn bezwaarschrift. Daarbij heeft hij gewezen op het tijdstip waarop hij het besluit heeft ontvangen en het feit dat een bezwaarclausule in de brief ontbrak. Daarnaast had de man echter ook inhoudelijke bezwaren tegen zijn ontslag. Dat had de minister duidelijk moeten zijn, omdat de man tegen het voornemen hem ontslag te verlenen een schriftelijke zienswijze had ingebracht. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dan ook: De minister was er immers van op de hoogte dat appellant wel degelijk ook inhoudelijk bezwaar had tegen zijn ontslag, waarmee een einde kwam aan een jarenlang bestaand dienstverband. De minister heeft voorts het ontslagbesluit niet aangetekend verzonden en appellant heeft dit besluit ontvangen op een tijdstip gelegen zes weken na de datering van dat besluit. Vanzelfsprekend heeft appellant daarom in zijn bezwaarschrift in de eerste plaats aandacht willen besteden aan de tijdigheid van de indiening van dat bezwaar. Onder die omstandigheden acht de Raad het bestreden besluit niet alleen onbehoorlijk, maar ook in strijd met artikel 7:2 van de Awb.(1) Samengevat komt het er op neer dat de minister de betreffende ambtenaar op zijn minst had moeten horen.

Voetnoten

1
CRvB 6 mei 2010, LJN BM6002.