Teruggave Range Rover niet onredelijk

De bewaarder dient tot afgifte van het beslagen voorwerp aan een derde over te gaan, zodra het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hem daartoe verplicht.

In 1994 heeft de officier van justitie op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafrecht conservatoir beslag gelegd op twee voertuigen; een Range Rover en een Porsche. Beide auto’s waren eigendom van de directeur van een noodlijdend bedrijf. Het bedrijf had een vordering op de directeur. Toen het bedrijf twee maanden later failliet ging, legde de curator dan ook
civielrechtelijk executoriaal derden-beslag (vgl. art. 476a Rv) op de beide inbeslaggenomen voertuigen. Een jaar later is de curator, met toestemming van de officier van justitie, overgegaan tot executoriale verkoop van de auto’s.

Artikel 116 lid 3 Sv

Als een beslagene niet schriftelijk verklaart afstand te doen van een voorwerp, dan kan het openbaar ministerie op grond van artikel 116, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering het voorwerp toch teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De officier van justitie moet in zo’n geval de beslagene schriftelijk in kennis stellen van zijn voornemen het voorwerp aan een derde-belanghebbende terug te geven. De beslagene heeft dan nog veertien dagen de tijd om een klacht hierover in te dienen ex artikel 552a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dient de beslagene niet (of te laat) een klacht in of wordt de klacht ongegrond verklaard, dan mag de officier van justitie zijn voornemen ten uitvoer brengen.

Executoriaal versus conservatoir beslag

In beginsel worden inbeslaggenomen voorwerpen teruggegeven aan de beslagene. Dat is anders als de rechter onder de gegeven omstandigheden de overtuiging heeft gekregen dat een derde redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd (vgl. art. 116 lid 3 jo. art. 116 lid 2 onder a Sv). In het onderhavige geval was er civielrechtelijk executoriaal derden-beslag op de Range Rover en de Porsche gelegd. De omstandigheid dat het failliete bedrijf een geldvordering op de directeur had die rechtstreeks betrekking had op de aan klager geleverde Range Rover en Porsche, bracht volgens het gerechtshof in het bijzonder met zich mee dat niet gezegd kan worden dat de teruggave van beide auto’s door de officier van justitie aan een derde, in dit geval telkens aan meergenoemde curator, op het eerste gezicht onredelijk en maatschappelijk onverantwoord is geweest. Volgens de Hoge Raad heeft het gerechtshof daarmee artikel 119 van het Wetboek van strafvordering juist toegepast. Degene die de auto’s onder zich had was gehouden de auto’s af te geven aan de curator. Dat brengt mee dat het Hof aan art. 119, vierde lid, Sv de uitleg heeft gegeven dat de bewaarder tot afgifte van het beslagen voorwerp aan een derde overgaat zodra het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hem daartoe verplicht. Die uitleg strookt met een redelijke toepassing van dat artikellid.(1) Aangezien de verplichting tot afgifte van de zaken ten tijde van het verzoek van de curator reeds bestond, gaf het oordeel van het Hof dat de afgifte van de auto’s door de Officier van Justitie aan de curator als degene die redelijkerwijs als rechthebbende kon worden aangemerkt niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was het ook niet onbegrijpelijk.

Voetnoten

1
HR 15 april 2003, LJN AF3104.