Geen overgangsrecht. Directe rechtsmachtwissel

Als bij een wetswijziging geen overgangsrecht is vastgesteld, geldt bij een wijziging van de rechtsmachtverdeling deze wijziging voor alle gevallen waarin rechtsbescherming wordt gezocht.

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft bij besluit van 7 oktober 2010 NVI een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer (hierna: Oplosmiddelenbesluit). Het NVI heeft de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Invoeringswet Wabo

Op 1 oktober 2010 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking getreden. Per die datum is ook de Wet milieubeheer gewijzigd. Tot 1 oktober 2010 kon op grond van artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ook rechtstreeks beroep worden ingesteld tegen besluiten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, artikel 8:40a en 8:42 van de Wet milieubeheer als ook tegen besluiten met betrekking tot de handhaving van het bepaalde krachtens 8:40 van de Wet milieubeheer. Sindsdien kan tegen die besluiten beroep bij de rechtbank worden ingesteld, waarna hoger beroep bij de Afdeling openstaat (vgl. art. 8:1 jo. 7:1 Awb).

Geen overgangsrecht

De voorzitter van de Afdeling constateert dat de wetgever bij de wijziging van artikel 20.1 van de Wet milieubeheer niet in overgangsrecht heeft voorzien. Gelet daarop gaat de voorzitter ervan uit dat de wetgever voor de rechtsmachtverdeling tussen de Afdeling en de rechtbanken met betrekking tot een dergelijk besluit het tijdstip bepalend heeft willen achten waarop dit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dit betekent dat, indien een voorlopige voorziening is verzocht ter zake van een primair besluit dat na 30 september 2010 op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank bevoegd is op dat verzoek te beslissen. Voorts betekent dit dat, indien een voorlopige voorziening is verzocht ter zake van een besluit op bezwaar dat na 30 september 2010 op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank eveneens bevoegd is op dat verzoek te beslissen, ook als het primaire besluit vóór 1 oktober 2010 is bekendgemaakt.(1)

Concrete toepassing

Het genoemde Oplossingsmiddelenbesluit was een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. Aangezien het besluit tot handhaving van het Oplossingsmiddelenbesluit – dat wil zeggen: de eerdergenoemde last onder dwangsom – een besluit is over handhaving van krachtens artikel 8.40 gestelde regels, is sinds 1 oktober 2010 niet langer de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd op het verzoek om een voorlopige voorziening te beslissen, maar de voorzieningenrechter van de rechtbank. Daarom verklaarde de Voorzitter zich in deze zaak onbevoegd (art. 8:70, aanhef en onder a, Awb) en zond het verzoek met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door naar de rechtbank Arnhem.

Notitie

Vorige week is op dit weblog een bijdrage gepubliceerd waarin goed te zien is welk gevolg het opnemen van overgangsrecht in een wet kan hebben. Met deze bijdrage wordt geïllustreerd wat er gebeurt als de wetgevingsjurist geen overgangsrecht opneemt.

Voetnoten

1
Vz ABRvS 3 december 2010, LJN BO6800.