Kinderporno of 18+?

Minderjarigheid van de afgebeelde persoon hoeft niet bewezen te worden om een afbeelding als kinderporno te duiden. Het volstaat dat de uiterlijke lichaamskenmerken aannemelijk maken dat de betrokkene jonger oogt dan achttien jaren.

Recentelijk is op dit weblog een bijdrage gepubliceerd over een arrest waarin de Hoge Raad verduidelijkt wanneer er sprake is van een ‘afbeelding van een seksuele gedraging’ als bedoeld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. De bepaling bevat het verbod op kinderporno. Van kinderporno kan uitsluitend sprake zijn als het minderjarigen betreft.

De omstreden afbeeldingen

De officier van justitie heeft bij het gerechtshof een beschikking gevraagd om een serie dia’s en foto’s aan het verkeer te onttrekken. Het betreft acht kleurendia’s in de natuur waarop twee jongens, slechts gekleed in een sweater, poseren. De nadruk van de afbeeldingen ligt op het geslachtsdeel van de jongens. Voorts betreft het 29 foto’s van twee jongens, waarvan het hof meent dat tenminste één van hen minderjarig is, die seksuele handelingen (afzuigen, masturberen) verrichten en waarvan enkele op zijn minst de suggestie wekken van anale gemeenschap.

Meerderjarig of minderjarig

Volgens de bezitter van de dia’s en foto’s zijn de afbeeldingen afkomstig uit de jaren ’30 van de twintigste eeuw. Jongvolwassenen (18+) zouden er indertijd een jeugdigere uitstraling hebben dan de 18-jarigen van heden. De werkelijke leeftijd van een persoon is echter niet van doorslaggevend belang bij de beoordeling of een afbeelding kinderporno bevat, of niet. De Hoge Raad oordeelt: Voor toepassing van art. 240b Sr is niet noodzakelijk dat de werkelijke leeftijd van de afgebeelde persoon onder de achttien jaren ligt. Naar de tekst en strekking van deze bepaling gaat het er immers om of, gelet op de afbeelding, de persoon er jonger dan achttien jaren uitziet. Voldoende is dat aan de hand van de uit de afbeelding blijkende uiterlijke lichaamskenmerken aannemelijk is dat de betrokkene jonger oogt dan achttien jaren.(1) Daarbij verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 7 december 2004, LJN AQ8936 (vgl. ook NJ 2006, 62)

Voetnoten

1
HR 7 december 2010, LJN BO6446.