Persoonlijke levenssfeer ook binnen kantooruren

Ook als brieven en e-mails de beroepsuitoefening van iemand betreffen en deze brieven en e-mails verstuurd worden naar de werkplek van de betrokkene, kan sprake zijn van belaging ex artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Een man heeft in 2005 gedurende anderhalve maand een grote hoeveelheid brieven en e-mails gestuurd naar een functionaris bij de politie Gelderland-Midden. In deze brieven en e-mails werd de betreffende wijkagent beschuldigd van leugenachtig misdadig dan wel meinedig optreden en het verspreiden van de meest walgelijke en de politie onwaardige leugens en baarlijke nonsens. De leidinggevende van de wijkagent kreeg van de afzender eveneens afschriften van deze e-mails en brieven toegestuurd.

Belaging

Ondanks dat de wijkagent de afzender verschillende malen te kennen heeft gegeven geen brieven, e-mails en/of telefoontjes van hem meer te willen ontvangen, droogde de correspondentiestroom niet op. Uiteindelijk is de afzender strafrechtelijk vervolgd voor het misdrijf belaging (art. 285b Sr). Van belaging is sprake wanneer iemand wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van iemand anders met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen.

Beroepsuitoefening en persoonlijke levenssfeer

Van belaging kan slechts sprake zijn wanneer iemand in zijn persoonlijke levenssfeer wordt geraakt. Kan er ook sprake zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een iemand wanneer de inhoud van de berichten het optreden van de betrokken politiefunctionaris betreft en deze berichten naar de werkplek van het slachtoffer zijn verstuurd? In een op 29 juni 2010 gewezen arrest beantwoordt de Hoge Raad deze vraag bevestigend. De omstandigheid dat de in de bewezenverklaring genoemde berichten en brieven gestuurd werden naar de werkplek van [slachtoffer] en dat de inhoud daarvan zijn optreden als politiefunctionaris betrof, staat niet aan het aannemen van belaging in de weg.(1) Door te kijken naar de indringendheid, de duur en de frequentie, alsmede omtrent de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden heeft het gerechtshof, aldus de Hoge Raad, een juiste maatstaf gehanteerd.

Voetnoten

1
HR 29 juni 2010, LJN BL8642.