Rapper krijgt vrijspraak voor bedreiging politicus

Als een raptekst met name vrees aanjaagt door het achtergrondgeluid in een videoclip, maar niet bewezen kan worden dat de rapper dit achtergrondgeluid zelf heeft toegevoegd, noch dat hij de videoclip heeft geupload, dan leidt dat tot vrijspraak.

Op 22 augustus 2007 is op de videowebsite Youtube een videoclip van de rapper Mo$heb geüpload. In deze videoclip rapte Mo$heb onder andere teksten als: Als ik begin, vraag ik om stilte om een aanslag te plegen op Geert Wilders en ‘t Is een zelfmoordpoging, Geert Wilders je kan liever van de dak springen. Of wil je liever kogels in je lijf hebben. Wat de bedreigde politicus echter vooral angst inboezemde was de combinatie van tekst en geluid. Achter de tekst Als ik je tegenkom, dan is het bam, bam. was een enorme knal en het geluid van een kogel te horen.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven

Het openbaar ministerie heeft de jonge rapper vervolgd wegens het misdrijf ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven’ (art. 285 Sr). Wie voor een vriendschappelijk wedstrijdje schaken tegen zijn tegenspeler met een grote grijns op z’n gezicht zegt Pas maar op, ik maak je straks helemaal af!, gebruikt misschien geen gepast vocabulair, maar onder normale omstandigheden zal de tegenstander begrijpen dat hij niet met de dood wordt bedreigd, doch het verliezen van de wedstrijd in het vooruitzicht gesteld heeft gekregen. Scherts, spel of beeldspraak is niet strafbaar. Om iemand te veroordelen ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, moet de bedreigde niet alleen daadwerkelijk op de hoogte zijn geraakt van de bedreiging, maar moet de bedreiging ook van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied, dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

Redelijke vrees

De rechtsvraag die de rechters in deze zaak moesten beantwoorden, was of bij Geert Wilders, gedurende het kennisnemen van deze rap, de redelijke vrees kon ontstaan dat hij van het leven zou worden beroofd. Daarbij kijkt de rechter niet alleen naar de geuite woorden, de context waarin die woorden worden gebruikt en de rapcultuur – in de rapcultuur zijn grof taalgebruik en het uiten van verwensingen niet ongebruikelijk –, maar ook naar de wijze waarop de tekst in de openbaarheid is gebracht.

Het gerechtshof ’s-Gravenhage overwoog: Nu het hof heeft geconcludeerd dat er kennelijk meerdere videoclips in omloop zijn, niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daar enige betrokkenheid bij heeft gehad en de ter terechtzitting in hoger beroep getoonde videoclip kennelijk een andere is dan die waarop de aangifte is gebaseerd, kan in hoger beroep niet worden vastgesteld welke videoclip voor de aangever aanleiding is geweest om aangifte te doen. Het hof kan de context waarin de tekst is geplaatst derhalve niet vaststellen. Voorts merkt het hof op dat voor de aangever de rap in combinatie met het geluid van pistoolschoten, aanleiding is geweest om aangifte van bedreiging te doen.(1) Dit alles leidde tot het eindoordeel waarin de verdachte is vrijgesproken. Het gerechtshof hield er rekening mee dat iemand anders het nummer online heeft gezet en de pistoolschoten heeft toegevoegd. De rapper ontkende dat hij dit zelf zou hebben gedaan en het openbaar ministerie kon het niet bewijzen.

Voetnoten

1
Hof ‘s-Gravenhage 10 november 2010 , LJN BO3350.