Zondagsopenstelling winkels vereist onderzoek

Aan het opnemen van de mogelijkheid tot zondagsopenstelling in een gemeentelijke verordening moet een kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar het op de gemeente gerichte toerisme ten grondslag liggen.

Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Winkeltijdenwet is het verboden op zondag een winkel voor het publiek geopend te hebben. Onder bepaalde omstandigheden kan de gemeenteraad bij verordening evenwel vrijstelling verlenen van dit verbod. Dit is onder meer het geval wanneer de betrokken gemeente, of een deel daarvan, gericht is op toerisme, mits de aantrekkingskracht voor dat toerisme geheel of nagenoeg geheel is gelegen buiten de verkoopactiviteiten die door de vrijstelling of ontheffing mogelijk worden gemaakt (vgl. art. 3, derde lid, onder a, Winkeltijdenwet). De gemeenteraad van de Noord-Hollandse gemeente Harenkarspel heeft op 12 mei 2009 een dergelijke verordening vastgesteld. Het college van burgemeester en wethouders van die gemeente weigerde dan ook handhavend op te treden tegen een supermarkt – geëxploiteerd door Deen Winkels – die zijn deuren op zondag voor het publiek heeft geopend.

Bewezen toerisme

Wanneer de gemeenteraad van een gemeente een verordening wil vaststellen die het mogelijk maakt dat winkels in een deel van de gemeente, of in de hele gemeente, op zondag hun deuren mogen openen, dan moet er sprake zijn van toerisme. Bijgevolg moet aan de verruimde openstelling van winkels op zondagen een onderzoek ten grondslag worden gelegd naar de aanwezigheid van een toeristische situatie binnen de gemeente. Op basis van een dergelijk onderzoek kan dan een deel, of de gehele, gemeente worden aangemerkt als toeristisch gebied. In de gemeente Harenkarspel heeft een dergelijk onderzoek nooit plaatsgevonden. Het College van beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dan ook: Het voorstel tot wijziging van de Verordening van 17 februari 2009 volstaat met een opsomming van attracties in de gemeente zonder dat enig onderzoek is gedaan naar de mate van hun toeristische aantrekkingskracht. Naar het oordeel van het College ontbreekt daarmee iedere materiële onderbouwing van de toeristische aantrekkingskracht van deze attracties, terwijl niet aanstonds duidelijk is dat zij zich in betekenende mate onderscheiden van de voorzieningen zoals die bij vele andere gemeenten bestaan. Zonder nadere onderbouwing in kwalitatieve en kwantitatieve zin van het op de gemeente gerichte toerisme, kan het College niet uitgaan van de verenigbaarheid van artikel 10 van de Verordening met artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet.(1) Dit alles leidt ertoe dat artikel 10 van de verordening onverbindend wordt verklaard wegens strijd met artikel 3 van de Winkeltijdenwet. Het beroep van appellant was derhalve gegrond en het bestreden besluit werd vernietigd.

Notitie

De bovenstaande uitspraak van één van de hoogste bijzondere bestuursrechters in Nederland is op zichzelf niet erg opvallend. Interessant is echter wel, wat de rechter in rechtsoverweging 5.3.2 doet. Uit die overweging blijkt dat de rechter het gemeentebestuur de mogelijkheid heeft geboden een onderzoek als hier bedoeld te laten uitvoeren, daar een begin mee te maken of tenminste in het vooruitzicht te stellen. Had het college dat gedaan, dan had het College de verordening waarschijnlijk niet onverbindend verklaard, maar slechts het beroep gegrond verklaard en de rechtsgevolgen in stand gelaten (art. 8:70, aanhef en onder d, jo. 8:72 lid 3 Awb). Nu het gemeentebestuur evenwel geen enkele poging heeft gedaan om ook maar met het voorbereiden van een onderzoek naar het toeristisch belang van de gemeente te starten, zag de rechter zich genoodzaakt aan deze constatering de gevolgtrekking te verbinden dat er geen onderbouwing van de toeristische aantrekkingskracht van de attracties in Harenkarspel valt te geven.

Voetnoten

1
CBB 10 december 2010, LJN BO6910. Ro. 5.3.1.