Eén getuigenverklaring is geen bewijs

Om veroordeeld te kunnen worden moet er aan een zeker bewijsminimum zijn voldaan. Een enkele getuigenverklaring is onvoldoende. Maar als de verklaring gedetailleerd genoeg is, wordt ondersteund door andere verklaringen ‘van horen zeggen’ en een enkel ander bewijsmiddel van een detail, dan kan een veroordeling volgen.

Een tandarts uit De Lier is veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid van zijn assistente (art. 246 Sr). De tandarts had in het najaar van 2005 de vrouw tegen haar wil meermaals onzedelijk betast en gezoend, onder bedreiging dat, als zij niet zou meewerken, hij haar arbeidscontract niet zou verlengen. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft de man hiervoor veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van 6 weken met een proeftijd van 2 jaar.(1) Tegen deze uitspraak heeft de tandarts cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Unus testis, nullus testis

Het unus testis, nullus testis-beginsel is neergelegd in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het beginsel houdt in dat de rechter niet uitsluitend op de verklaring van één getuige mag aannemen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Er zal altijd ook sprake moeten zijn van ondersteunend bewijsmateriaal.

Steeds als de feitelijke aanranding van de eerbaarheid van de tandartsassistente door de tandarts plaatsvond, was er niemand anders aanwezig in de praktijk. De vrouw heeft haar moeder en ex-vriend wel verteld wat er is gebeurd. Zij hebben terzake ook een verklaring afgelegd bij de politie en zijn ten tijde van het hoger beroep door de rechter gehoord. Hun verklaringen zijn evenwel voor een groot deel ‘van horen zeggen’, zodat de raadsman meende dat het unus testis, nullus testis-beginsel door het gerechtshof was geschonden.

Ander steunbewijs

De Hoge Raad is van mening dat de vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van het concrete geval vergt. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen.(2) Daarbij wijst de cassatierechter er op dat het in cassatie van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat aan het bewijsminimum is voldaan nader heeft gemotiveerd. In het geval van de tandarts uit De Lier had het gerechtshof overwogen dat de verklaringen van de tandartsassistente bij de politie en de rechter-commissaris nauwkeurig zijn en op wezenlijke onderdelen met elkaar overeenstemmen. Voorts waren de verklaringen van de moeder en haar ex-vriend weliswaar ‘van horen zeggen’,“maar dit neemt – gelet op de overeenstemming van die verklaringen en de verklaring van het slachtoffer – niet weg dat zij de belasten verklaring van het slachtoffer ondersteunen en in zoverre de betrouwbaarheid van haar verklaringen onderstrepen. Bovendien heeft een politie-agent op de mobiele telefoon van de tandartsassistente een SMS-bericht gevonden waarin de tandarts haar met de ongewenste koosnamen aanspreekt, zoals door de moeder van het slachtoffer was gehoord. Om die redenen kan volgens de Hoge Raad in dit geval niet gezegd worden dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de tandartsassistente onvoldoende steun vindt in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Het unus testis, nullus testis-beginsel was dan ook niet geschonden.

Voetnoten

1
Hof ’s-Gravenhage 22 juni 2009, LJN BI8015.
2
HR 25 januari 2011, LJN BO6753.