Het gemeen gevaar voor goederen

Bij ‘gemeen gevaar voor goederen’ als bedoeld in artikel 157 Sr moet daadwerkelijk naar algemene ervaringsregels ten tijde van de brandstichting sprake zijn van voorzienbaar gevaar voor goederen.

Het opzettelijk brandstichten, opzettelijk een ontploffing teweegbrengen of opzettelijk een overstroming veroorzaken is verboden op grond van artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht. De straf die de rechter kan opleggen aan iemand die zich schuldig maakt aan dit misdrijf is afhankelijk van de concrete situatie. Iemand die brand sticht in een volgeboekt hotel neemt het risico dat de hotelgasten zwaar lichamelijk letsel oplopen of misschien wel in levensgevaar komen te verkeren. In zulke gevallen kan de rechter de brandstichter tot 15 jaar gevangenisstraf veroordelen (vgl. art. 157, aanhef, onder 2?, Sr). Zijn er evenwel nooit mensenlevens in gevaar geweest, maar is van de brand wel “gemeen gevaar voor goederen te duchten”, dan is de maximale gevangenisstraf die de rechter kan opleggen 12 jaar (vgl. art. 157, aanhef, onder 1?, Sr).

Gemeen

Het woord ‘gemeen’ kent in de Nederlandse taal verschillende betekenissen. De betekenis die bij de meeste Nederlanders bekend is, is die van ‘boosaardig’, ‘ploertig’ of ‘schofterig’. Het woord ‘gemeen’ betekent echter ook ‘gemeenschappelijk’, zoals in de zin: Ik heb niks gemeen met mijn broer Met zo’n zin wil de spreker slechts aangeven dat hij in alle opzichten van zijn broer verschilt; de broer hoeft niet laaghartig gedrag te vertonen.

Gevaar voor goederen

Op 21 december 2010 heeft de Hoge Raad een uitspraak in cassatie gedaan in een strafzaak tegen een man die ervan verdacht werd op 17 mei 2002 opzettelijk brand te hebben gesticht in zijn woning in de gemeente Eibergen. De rechtsvraag die de Hoge Raad in cassatie moest beantwoorden, was of er ook sprake is van ‘gemeen gevaar voor goederen’ als iemand zijn eigen woning in de fik steekt en er daarbij – volgens de brandweercommandant – geen enkel gevaar is voor naburige woningen. De hoogste nationale rechter oordeelde: Om in rechte het gemeen gevaar voor goederen als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit gemeen gevaar voor goederen inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het gemeen gevaar voor goederen ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien zich ten tijde van de brandstichting geen goederen in de nabijheid bevonden (vgl. HR 17 februari 2009, LJN BG1653, NJ 2009/120).(1)

Notitie

In de zinsnede in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht waarin staat dat iemand tot 12 jaar gevangenisstraf veroordeeld kan worden als hij door opzettelijk brand te stichten ‘gemeen gevaar voor goederen’ heeft veroorzaakt, ziet de zinsnede uitsluitend op goederen van andere personen dan van de brandstichter. Uit het in deze bijdrage aangehaalde arrest blijkt voorts dat er sprake moet zijn van een ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar gevaar voor de goederen van derden. Wanneer dit gevaar– gelet op de afstand van de woning tot nabijgelegen woningen en goederen – niet te duchten is, dan is er geen delict als omschreven in artikel 157, aanhef, onder 1?, van het Wetboek van Strafrecht. Geen gevaar; geen veroordeling.

Voetnoten

1
HR 21 december 2010, LJN BN8840.