Wijziging of aanvulling vergunning is geen nieuwe aanvraag

Overgangswetgeving voor reeds ingediende aanvragen om een vergunning is niet ook van toepassing op aanvragen tot wijziging of aanvulling van reeds bestaande vergunningen.

Vitens N.V. heeft een vergunning voor het onttrekken van grondwater in Losser ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening. De vergunning is nog gebaseerd op de, inmiddels vervallen, Grondwaterwet. Jaarlijks mag het bedrijf 2,4 miljoen m3 grondwater bewerken tot drinkwater. De vergunning is bij besluit van 25 februari 2010 door het College van gedeputeerde staten van Overijssel gewijzigd. Een appellant zoekt rechtsbescherming tegen het wijzigingsbesluit en heeft beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Grondslag van het wijzigingsbesluit

De Grondwaterwet, op basis waarvan Vitens N.V. een vergunning had voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, is op 22 december 2009 ingetrokken. Op dezelfde dag is de opvolger van de Grondwaterwet, de Waterwet, in werking getreden. Op grond van artikel 20.1, derde lid, van de Wet Milieubeheer, zoals deze gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, kon bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep worden ingesteld tegen besluiten waarop artikel 6.27, tweede lid, van de Waterwet van toepassing was. Het bestreden besluit was nochtans gebaseerd op de artikelen 22 en 23 van de Grondwaterwet. Artikel 6.27, tweede lid, van de Waterwet was in het geheel niet van toepassing in deze situatie. Dat leidt tot de conclusie dat bij de Raad van State in beginsel geen beroep tegen dit besluit kon worden ingesteld.

Wetswijziging

Met de invoering van de Waterwet is ook overgangsrecht geschreven. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt hieromtrent: Artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet (Stb. 2009, 489) dat het overgangsrecht regelt voor lopende procedures, bevat wat betreft de Grondwaterwet alleen een overgangsregeling voor besluiten op ingediende aanvragen om een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet. Het bestreden besluit tot wijziging en aanvulling van de bestaande vergunning kan daarmee niet worden gelijkgesteld. De tekst van de wet noch de wetsgeschiedenis geven aanleiding voor een ander oordeel. Derhalve kon tegen het bestreden besluit geen beroep bij de Afdeling worden ingesteld.(1) De Afdeling verklaarde zich daarom niet bevoegd (art. 8:70, aanhef, onder a, Awb) en heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 Awb doorgestuurd naar de wel bevoegde rechter: de rechtbank Zwolle.

Notitie

De hier besproken uitspraak toont aan het overgangsrecht weliswaar vooral wordt geschreven met het oog op de onzekere tijd die voor rechtssubjecten aanbreekt wanneer een oude wet door een nieuwe wordt vervangen, maar dat deze ook later niet van alle belang ontbloot is. Voor wetgevingsjuristen is de uitspraak voorts interessant, omdat de Afdeling expliciet duidelijk maakt dat overgangsrecht voor ingediende aanvragen om een vergunning niet zonder meer ook van toepassing is op aanvragen tot wijziging of aanvulling van reeds bestaande vergunningen.

Voetnoten

1
ABRvS 15 december 2010, LJN BO8092.