Virtuele kinderporno is niet (altijd) strafbaar

Wanneer het voor de gemiddelde kijker onmiddellijk duidelijk is dat hetgeen men ziet niet echt is en dat het gaat om gemanipuleerde afbeeldingen die niet realistisch zijn, kan er geen sprake zijn van kinderporno als bedoeld in artikel 240b Sr.

Een man uit Valkenswaard werd er van verdacht artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht te hebben overtreden. Deze bepaling stelt onder andere het bezit van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, strafbaar. De helft van de afbeeldingen die als bewijs werden ingediend, bestonden uit virtuele (getekende) plaatjes. De rechtsvraag die de rechtbank te ’s-Hertogenbosch mitsdien moest beantwoorden was of bij getekende afbeeldingen waarop seksuele gedragingen zijn afgebeeld wel kinderen betrokken kunnen zijn als bedoeld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht.

De in de vorige alinea opgeworpen vraag werd door de rechters ontkennend beantwoord. Uit de geschiedenis van de wet blijkt dat voor ‘schijnbare betrokkenheid’ is vereist dat de afgebeelde persoon net echt moet lijken. Onder meer een afbeelding waaruit meteen blijkt dat het gaat om een gemanipuleerde afbeelding die niet realistisch is, valt niet onder genoemd wetsartikel.(1) Omdat de getekende afbeeldingen te duiden waren als (pornografische) (driedimensionale) cartoons c.q. animaties c.q. tekeningen, waren er geen kinderen bij betrokken. Veel getekende figuren hadden bijvoorbeeld geen menselijke gezichtskleur of spiermassa en, gelet op de vorm, evident getekende kapsels en gezichten (ogen). Met het bezit van dergelijke afbeeldingen wordt geen wetsbepaling overtreden.

Aangezien de man ook enkele afbeeldingen in bezit had waarop wel degelijk kinderporno te zien was, is hij uiteindelijk wel veroordeeld.

Voetnoten

1
Rb ’s-Hertogenbosch 30 maart 2010, LJN BL8876.