De eed: bestaan belangrijker dan vorm

Uit een proces-verbaal moet blijken óf een getuige onder ede is gehoord: of dit de eed of belofte is geweest, doet daarbij niet ter zake. Het gaat immers om het rechtsgevolg dat het horen onder ede met zich meebrengt.

Op woensdag 14 september 2005 heeft een getuige in een moordzaak de eed afgelegd op de Koran. Wanneer iemand onder ede staat – oftewel: de eed heeft afgelegd –, is hij (of zij) gehouden de waarheid te vertellen. Wanneer een getuige onder ede antwoorden geeft die niet waar zijn, maakt deze zich schuldig aan het misdrijf meineed (art. 207 Sr). Daarop staat maximaal zes jaar gevangenisstraf. De getuige die op 14 september 2005 onder ede een verklaring aflegde, trok in haar verklaring alle verklaringen die zij eerder (niet onder ede) bij de politie had gedaan, weer in.

Wijze van afleggen van ondergeschikt belang

De manier waarop de eed moet worden afgelegd, is te vinden in de Wet vorm van de eed (Stb. 1911, 215). De eed wordt opgelegd door het uitspreken van de woorden: Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig. De spreker steekt daarbij de wijs- en middenvinger van de rechterhand omhoog. Voor mensen die bezwaar hebben tegen deze tekst, bijvoorbeeld omdat zij niet in God geloven, bestaat de mogelijkheid de belofte af te leggen: Dat beloof ik. Mensen die aan hun godsdienstige gezindheid de plicht ontlenen de eed of belofte op een andere dan de voorgeschreven wijze te doen, krijgen hiertoe van de wetgever de ruimte. Het rechtsgevolg is evenwel in alle gevallen gelijk: onder ede moet de waarheid gesproken worden. Daarom is het voldoende als in het proces-verbaal is vastgelegd dat de eed is vastgelegd en hoeft niet uit het proces-verbaal te blijken in welke vorm de eed is afgelegd en dus ook niet of de getuige deze heeft afgelegd op een aan zijn godsdienstige gezindheid ontleende wijze.(1)

Notitie

Dat het voldoende is als uit het proces-verbaal blijkt dat een getuige de eed heeft afgelegd en niet gedocumenteerd hoeft te worden op welke wijze dit is gedaan, is ruim 90 jaar geleden al vastgelegd in de jurisprudentie.(2) Opvallend is wel dat de Hoge Raad in dit arrest, anders dan de advocaat-generaal, meent dat uit de bewijsmiddelen niet uitdrukkelijk genoeg blijkt dat de belofte onderscheidenlijk de eed de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen, zoals omschreven in art. 216, eerste lid, in verbinding met art. 215 Sv onderscheidenlijk art. 290, tweede lid, Sv, telkens door de verdachte als getuige is afgelegd op de bij de wet voorgeschreven wijze.

Voetnoten

1
HR 19 april 2011, LJN BP3839.
2
HR 19 november 1923, NJ 1924, blz. 152.