Twee termijnoverschrijdingen is één schending

Als zowel de termijn waarbinnen de stukken moeten zijn ingezonden als de termijn waarbinnen uitspraak behoort te zijn gedaan is overschreden, wordt bij de toe te passen vermindering van de strafmaat door de strafrechter slechts de overschrijding van één van die termijnen in aanmerking genomen.

Een verdachte zit in voorlopige hechtenis in de Penitentiaire Inrichting “Vught” te Vught. Hij is in cassatie gegaan tegen een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarin hem door de rechters elf jaren gevangenisstraf zijn opgelegd. Helaas heeft het Hof de processtukken die op zijn zaak betrekking hadden te laat naar de Hoge Raad gestuurd. Ook zijn er tussen het moment waarop de verdachte cassatie heeft ingesteld en het moment dat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan, meer dan zestien maanden verstreken.

Redelijke termijn

Als de strafrechter de verdachte schuldig acht, maar niet binnen een redelijke termijn uitspraak in de zaak heeft kunnen doen, dan moet hij hieraan volgens vaste jurisprudentie (Vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358) de consequentie verbinden dat een lagere straf wordt opgelegd. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM. In een situatie waarin de redelijke termijn twee keer geschonden is, worden deze schendingen evenwel niet gecumuleerd. Bij die vermindering wordt in een geval als het onderhavige waarin zowel de termijn waarbinnen de stukken moeten zijn ingezonden als de termijn waarbinnen uitspraak behoort te zijn gedaan, slechts de overschrijding van één van die termijnen in aanmerking genomen en bij verschil de langste.(1)

Consistentie

Ter motivering van dit uitgangspunt wijst de Hoge Raad vooral op de consistentie van gevolgen die strafrechters aan termijnoverschrijdingen verbinden. Een redelijke en met de eisen van rechtszekerheid en praktische hanteerbaarheid strokende toepassing van het in art. 6, eerste lid, EVRM vervatte voorschrift inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn brengt mee dat die vuistregels, die het resultaat zijn van een langer durende rechtsontwikkeling, in beginsel een zekere duurzaamheid moeten hebben. Daarbij komt dat het vraagstuk inzake de toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn de aandacht heeft van de wetgever. De hoogste nationale strafrechter houdt aldus een slag op de arm; wanneer de wetgever niets regelt is het mogelijk dat de rechtspraak zich op dit terrein in de toekomst verder zal ontwikkelen.

Voetnoten

1
HR 19 april 2011, LJN BP5361.