Passage uit boek 'Danslessen' niet beledigend

Wanneer de rechter de toelaatbaarheid van een roman beoordeelt, bekijkt hij de gewraakte passages binnen de aard en strekking van de roman. Ook de rol van (roman)figuren en de aansluiting bij historische gebeurtenissen wordt bij dit oordeel betrokken.

Pieter Waterdrinker - Danslessen

De burgemeester van Zandvoort – M.R. van der Heijden – heeft aangifte gedaan tegen de auteur van het op 16 april 1998 bij uitgeverij De Arbeiderspers verschenen boek Danslessen. Het boek beschrijft het leven van een jongen in de puberteit uit Zandvoort. Eén van de romanpersonages spreekt op bladzijde 94 van het boek de zin uit: maar ja, wat wil je ook, met zo’n joodje aan het hoofd. De burgemeester van Zandvoort, die dezelfde achternaam heeft als de in de roman figurerende burgemeester en eveneens klein van stuk is, nam aanstoot aan deze zin. Hij meende dat de auteur – Pieter Waterdrinker – zich in het boek schuldig heeft gemaakt aan antisemitisme (art. 137c Sr) en belediging (art. 266 Sr). 

Artistieke expressie

De vrijheid van artistieke expressie (ook bekend als: kunst exceptie) is een wezenlijk kenmerk van een democratische samenleving. Deze vrijheid is begrepen in artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet, maar is niet onbegrensd. Tot hoever een artistieke expressie wordt beschermd door artikel 10 EVRM is niet op voorhand te zeggen. Steeds opnieuw zal de rechter in het licht van de in het geding zijnde belangen de concrete omstandigheden moeten wegen en waarderen. Eén ding is wel duidelijk: de grens van het recht van vrijheid van artistieke expressie wordt overschreden als de kunstenaar die vrijheid kennelijk misbruikt om beledigingen te uiten.

De beoordeling van een passage

In de onderhavige casus werd geklaagd over een passage uit een roman. De rechter kijkt in een dergelijk geval niet alleen naar het gewraakte deel, maar bekijkt ook de overige inhoud van de roman. Daarbij dient met name te worden gelet op de aard en de strekking van de roman en de plaats die de desbetreffende passage daarin inneemt. Ook andere omstandigheden kunnen in dit verband van belang zijn zoals de rol van de (roman)figuur aan wie de passage in de mond wordt gelegd en de wijze waarop deze figuur wordt beschreven. Voorts komt betekenis toe aan de omstandigheid of en in hoeverre het geschrevene door de verbeeldingskracht van de auteur is losgemaakt van historische gebeurtenissen. Een en ander kan dus meebrengen dat aan een bepaalde passage, ook al zou zij op zichzelf beschouwd beledigend zijn in de zin van genoemde wetsbepalingen, op grond van de aard en strekking van de roman en de verdere in aanmerking te nemen omstandigheden, niettemin het beledigend karakter moet worden ontzegd.(1)

In dit geval heeft de Hoge Raad geoordeeld dat – alle omstandigheden in aanmerking genomen – de gewraakte opmerking haar beledigend karakter moet worden ontzegd. De opmerking is gedaan in een hilarische en onmiskenbaar niet aan de werkelijkheid ontleende scène en de roman bevat verder ook niets dat zou kunnen leiden tot het oordeel dat de uitlating, in de context van de roman gezien, een beledigend karakter toekomt. De auteur is derhalve vrijgesproken en het boek is nog altijd te koop.

Voetnoten

1
HR 9 oktober 2011, LJN ZD2776.