Art. 266 Sr: het bestandsdeel 'openbaar'

Van strafbare belediging in brieven en faxen kan alleen sprake zijn wanneer deze geschriften ter kennis zijn gekomen van anderen dan de geadresseerden.

In 1997 kreeg een cliënt van een advocaat een geschil met X. De advocaat heeft X daarover een brief geschreven en ontving sindsdien met enige regelmaat faxen van X. Zo heeft X in de periode tussen 13 april 1997 en 4 januari 2000 de advocaat brieven gestuurd waarin hij de advocaat een porno-advocaat en een ongeletterde en incompetente voyeur noemde, hem verweet dreig- en hijgtelefoontjes te plegen (bij voorkeur ‘s nachts en/of als de vrouw van X niet thuis was) en hem beschuldigde van corruptie. Uiteindelijk heeft de advocaat aangifte gedaan tegen X en heeft de officier van justitie X strafrechtelijk vervolgd voor overtreding van artikel 266 Sr; eenvoudige belediging.

Art. 266 lid 1 Sr:
Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Openbaar

De zaak is uiteindelijk bij de Hoge Raad aanhangig gemaakt. Deze oordeelde dat het gerechtshof niet bewezen had dat de bedoelde geschriften aan de daar genoemde personen heeft meegebracht dat de beledigende passages ter kennis zijn gekomen van anderen dan de geadresseerden. De bewezenverklaring - in het bijzonder het onderdeel in het openbaar dat in de tenlastelegging en die bewezenverklaring kennelijk is gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 266 Sr - is daarom niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.(1) De bestreden uitspraak werd om die reden vernietigd en ter afdoening terugverwezen naar het gerechtshof te Amsterdam.

Voetnoten

1
HR 5 april 2005, LJN AS8465. Ook gepubliceerd in JOL 2005, 202 en NJ 2005, 287.