Beledigen met een fluim

Wie een ander in het openbaar in het gezicht spuugt, maakt zich schuldig aan een belediging door een feitelijkheid.

Op 3 november 2003 is een agent van het politiekorps Haaglanden in het gezicht gespuwd. De amokmaker is daarna ingerekend en strafrechtelijk vervolgd voor eenvoudige belediging (art. 266 Sr). Daarbij heeft het gerechtshof ‘s-Gravenhage de man veroordeeld voor mondelinge belediging. Dat was niet helemaal juist, want hoewel de fluim de mond van de verdachte verlaten heeft, moet het spugen naar iemand gekwalificeerd worden als belediging door een feitelijkheid. Dat is overigens in dezelfde strafbepaling strafbaar gesteld. Desalniettemin werd de Hoge Raad de vraag gesteld of de verdachte nu niet vrijgesproken zou moeten worden.

Een herstelbare misslag

De Hoge Raad oordeelde dat aangenomen moest worden dat de term ‘mondeling’ als gevolg van een misslag in de tenlastelegging en de bewezenverklaring was overgenomen. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zowel als in eerste aanleg blijkt dat bij de verdachte geen onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen hem wordt verweten, terwijl het onderscheid tussen een mondelinge belediging en een belediging door feitelijkheden voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde niet van belang is. In aanmerking genomen dat de verdachte, gelet op het vorenoverwogene, daardoor niet in zijn verdediging is geschaad, leest de Hoge Raad de bewezenverklaring met verbetering van de in 4.5 vermelde misslag en derhalve zonder het daarin opgenomen woord ‘mondeling’.(1) Het middel kon mitsdien niet tot cassatie leiden.

Voetnoten

1
HR 13 december 2005, LJN AU5757. Ook gepubliceerd in: JOL 2005, 725 en NJ 2006, 13.