Net boven achtertuin is vergunningplichtig bouwwerk

De juridische betekenis van het woord ‘bouwwerk’ is sinds de vervanging van de Woningwet door de Wabo niet gewijzigd.

Een inwoner uit Amersfoort heeft zijn hele achtertuin overspannen met een zwart nylon net. Het net is met nagels aan de aangrenzende gevels en schuttingen bevestigd en hangt op circa 2,20 meter hoogte. Onder het net lopen dieren. Een andere inwoner van Amersfoort heeft het college van burgemeester en wethouders gevraagd handhavend op te treden tegen de eigenaar van deze achtertuin. Volgens hem is er sprake van een vergunningplichtig bouwwerk in de zin van artikel 2.1, aanhef en onder a, van de Wabo. Het gemeentebestuur ontkent dit en weigert tot handhaving over te gaan.

De zaak wordt uiteindelijk aanhangig gemaakt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die wijst erop dat artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo de opvolger is van het vroegere artikel 40 Woningwet. De Wabo kent net zo min als de Woningwet dit deed een definitie van het begrip ‘bouwwerk’, maar niets in de totstandkomingsgeschiedenis van de Wabo wijst erop dat de wetgever de onder de oude jurisprudentie gebruikte definitie heeft willen wijzigen. De Afdeling leidt hieruit af dat ook onder de Wabo, net als vroeger onder de Woningwet, voor de definitie van het woord ‘bouwwerk’ aansluiting moet worden gezocht bij de modelbouwverordening. Daarin wordt een bouwwerk gedefinieerd als elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

Het net dat de inwoner van Amersfoort over zijn tuin heeft gespannen valt volgens de hoogste algemene bestuursrechter onder deze definitie. Het is, aldus de Afdeling, een constructie van enige omvang, die bedoeld is om ter plaatse te functioneren.(1) Dat betekent ook dat de eigenaar van het net een omgevingsvergunning had moeten aanvragen. Dat heeft hij niet gedaan en het college van burgemeester en wethouders heeft zich dan ook ten onrechte onbevoegd geacht om daartegen handhavend op te treden. Het beroep was dus gegrond.

Voetnoten

1
ABRvS 12 september 2012, LJN BX7117.