Militair ontslagen na aanranden collega

De minister mocht een soldaat op staande voet ontslaan wegens wangedrag, nadat deze een vrouwelijke collega in haar legeringskamer had lastiggevallen.

Een soldaat derde klasse was werkzaam bij de Koninklijke Landmacht. Hij heeft deelgenomen aan een geestelijke verzorgingsconferentie in Amersfoort. Bij aanvang van deze conferentie is de deelnemers nadrukkelijk verteld dat er geen herenbezoek op de legeringskamers van de vrouwelijke deelnemers was toegestaan. Desondanks heeft de soldaat onder invloed van alcohol, samen met twee kornuiten, in de nacht van 14 op 15 januari 2008 twee vrouwelijke leerlingen in hun legeringskamer lastiggevallen: geïntimideerd en lichamelijk pijn gedaan. Daarmee heeft de militair niet alleen een strafbaar feit begaan – waarvoor hij strafrechtelijk is vervolgd en veroordeeld –, maar ook artikel 39, tweede lid, aanhef en onder I van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) overtreden. Om die reden werd hij per 1 juni 2008 ontslagen wegens wangedrag.

Strafvonnis bewijst wangedrag

Op grond van artikel 8 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 geldt een uitspraak van de strafrechter die in kracht van gewijsde is gegaan, waarbij een militaire ambtenaar aan een strafbaar feit is schuldig verklaard, als bewijs van dat feit. De soldaat derde klasse meende dat er sprake was van een dolletje en dat zijn ontslag daarom een veel te zware sanctie zou zijn, maar dit verweer werd door de bestuursrechter onder verwijzing naar de feiten zoals die door de strafrechter bewezen zijn verklaard afgewezen. De Raad acht, net als de rechtbank, het ontslag niet onevenredig aan de aard en ernst van het verweten wangedrag. Het feit dat appellant zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan wangedrag leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft niet ten onrechte groot gewicht gehecht aan het feit dat appellant met zijn handelwijze het vertrouwen dat de minister in appellant als integere ambtenaar moet kunnen stellen in ernstige mate heeft geschaad. Daarbij is van belang dat naar aanleiding van onder meer een melding van seksuele intimidatie aan boord van Hr. Ms. Tjerk Hiddes in 2006 binnen het ministerie veel aandacht is gevraagd voor een sociaal veilige (werk)omgeving, waarin de collega’s gerespecteerd worden en waarin rekening met elkaar wordt gehouden. Die normen en waarden zijn uiteindelijk neergelegd in onder andere de Gedragscode Defensie. Appellant heeft erkend daarvan op de hoogte te zijn geweest. Appellant heeft met zijn gedrag ernstig inbreuk gemaakt op die sociaal veilige (werk)omgeving.(1)

Voetnoten

1
CRvB 1 oktober 2012, LJN BX8067.