Archiefwet mag Wob'er niet baten

De stelling dat de Archiefwet een bestuursorgaan verplicht documenten te bewaren is een onvoldoende weerlegging van de mededeling van het bestuursorgaan dat de betreffende documenten niet meer aanwezig zijn.

Potočari is de plaats in de gemeente Srebrenica (Bosnië en Herzegovina) waar in 1995 Nederlandse militairen gelegerd waren. Een appellant heeft bij de minister van Defensie documenten opgevraagd die betrekking hebben op de zogenoemde compound in Potočari. Meer in het bijzonder ging het om informatie over graven die zich op de compound zouden bevinden. De minister heeft geweigerd een deel van de opgevraagde documenten te verstrekken: deels omdat het debriefingsverklaringen betrof, deels ook omdat hij de opgevraagde documenten niet (meer) had.

De archiefwet

Dat de debriefingsverklaringen van de compound in Potočari niet openbaar gemaakt hoeven te worden had de Afdeling al eerder geoordeeld(1) en heeft de Afdeling in deze zaak andermaal herhaald. Met betrekking tot de documenten die de minister niet meer zei te hebben, bracht de appellant naar voren dat de minister ingevolge de Archiefwet verplicht is een deugdelijk archief bij te houden en de documenten dus nog zou moeten hebben. Die stelling werd door de Afdeling echter niet gevolgd. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 22 augustus 2007 bevestigde de Afdeling dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een document niet of niet meer bij hem berust en die mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om het tegendeel aannemelijk te maken. Daarin was de appellant niet geslaagd; niet in de laatste plaats door de zware bewijslast die hiervoor geldt.(2) De minister had meermaals in het Debriefingsarchief Srebrenica, als ook in het archief van het Ministerie van Defensie gezocht, maar de gevraagde documenten niet aangetroffen. Wél had de minister ook het archief van de Koninklijke Marechaussee moeten doorzoeken, omdat deze dienst ook onder het Ministerie van Defensie ressorteert. Voor zover de minister dit nog niet gedaan had, was het beroep gegrond.

Documenten bij een ander ministerie

Van ambtenaren die werkzaam zijn bij het ministerie van Defensie had appellant begrepen dat zij ook contact hebben met het ministerie van Veiligheid en Justitie. Hij stelde hierop dat de minister van Defensie zijn verzoek naar de minister van Veiligheid en Justitie had moeten doorsturen, maar ook de veronderstelling die aan deze opvatting ten grondslag ligt – namelijk dat de opgevraagde documenten bij de minister van Veiligheid en Justitie zouden liggen – werd volgens de rechter door appellant onvoldoende onderbouwd. Daarnaast bevat de Wob ook geen verplichting voor een bestuursorgaan om documenten, waarvan openbaarmaking is gevraagd, van elders te vergaren.

Voetnoten

1
ABRvS 19 januari 2011, LJN BP1317.
2
ABRVS 3 oktober 2012, LJN BX8935 ro. 9.