Niet vertrouwen op niet handhaven

Aan het niet handhavend optreden tegen overtreding van de Opiumwet kan geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat die overtreding wordt gedoogd.

De eigenaar van een horeca-inrichting in Den Haag ontving op 20 oktober 1995 een gedoogbeschikking voor artikel 13b Opiumwet van de burgemeester van die gemeente. Deze beschikking hield in dat de eigenaar – onder bepaalde voorwaarden – niet vervolgd zou worden voor overtreding van de Opiumwet en zijn horeca-inrichting kon gebruiken als coffeeshop: een plaats waar softdrugs worden verkocht. Op 24 september 2002 werd de gedoogbeschikking ingetrokken.

Vier jaar later bestond de coffeeshop echter nog steeds en werden er nog altijd softdrugs verkocht. De burgemeester besloot daarom op 6 december 2010 de eigenaar van de horeca-inrichting te gelasten het lokaal uiterlijk op 15 december 2010 voor een periode van zes maanden te sluiten.(1)

Beroep op het vertrouwensbeginsel

De eigenaar van de coffeeshop heeft bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen dit sluitingsbevel van de burgemeester gezocht. Hij stelde voor de bestuursrechter onder andere dat de burgemeester er in 2003 al van op de hoogte was dat de horeca-inrichting ook na het intrekken van de gedoogbeschikking als coffeeshop dienst deed. Destijds is daar niet tegen opgetreden en daaruit meende de coffeeshophouder het gerechtvaardigd vertrouwen te kunnen ontlenen dat dit ook in de toekomst niet zou gebeuren. Temeer nu het lokaal sindsdien nog regelmatig door politieambtenaren is gecontroleerd op naleving van de milieuregelgeving, de wijkagent de inrichting regelmatig bezocht en ambtenaren van de belastingdienst bij jaarlijkse controles nauwkeurig het aantal zakjes softdrugs kwamen tellen. Sommige van de bezoekende ambtenaren zouden hem zelfs concreet en ondubbelzinnig hebben gezegd dat hij softdrugs mocht verkopen, aangezien hij aan de eisen voldeed.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – de hoogste algemene bestuursrechter in Nederland – ging evenwel niet mee in dit verweer. Hij oordeelde: Anders dan [appellant] betoogt, brengt het niet treffen van handhavingsmaatregelen door het daartoe bevoegde bestuursorgaan, niet met zich dat daaraan een gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat niet meer handhavend zal worden opgetreden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] aan de gestelde uitgevoerde controles geen vertrouwen mocht ontlenen dat de burgemeester niet handhavend zou optreden. (…) Wat betreft de stelling dat belastingambtenaren bij jaarlijkse controles nauwkeurig het aantal zakjes softdrugs hebben geteld en de bezoekende ambtenaren concreet en ondubbelzinnig hebben toegezegd de verkoop van softdrugs te gedogen, wordt overwogen dat [appellant] het aldus gestelde niet aannemelijk heeft gemaakt.(2)

Voetnoten

1
Art. 13b Opiumwet.
2
ABRvS 3 oktober 2012, LJN BX8991.