Inlijvingsbesluit De Bourbon de Parme

De Wob bevat geen verplichting om documenten, waarvan openbaarmaking is gevraagd, van elders te vergaren.

Bij koninklijk besluit van 15 mei 1996 zijn de vier kinderen van Hare Koninklijke Hoogheid prinses Irene ingelijfd in de Nederlandse adel als prinsessen de Bourbon de Parme met het predicaat Koninklijke Hoogheid. Dit zogenoemde inlijvingsbesluit is gebaseerd op artikel 8 van de Wet op de adeldom. Appellant heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in 2006 met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) om openbaarmaking van de informatie met betrekking tot dit besluit gevraagd. Dit verzoek werd gedeeltelijk afgewezen.

De vier personen op wie het inlijvingsbesluit betrekking heeft:
– Carlos Javier Bernardo de Bourbon de Parme.
– Margarita Maria Beatriz de Bourbon de Parme.
– Jaime Bernardo de Bourbon de Parme.
– Maria-Carolina Christina de Bourbon de Parme.

Het rechtsgeschil dat hieruit voortvloeide werd in 2008 behandeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarbij stelde appellant onder meer dat de minister meer documenten heeft dan de openbaar gemaakte documenten en de documenten waarvan openbaarmaking is geweigerd. Naar vaste jurisprudentie is het aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de aannemelijke uitkomsten van het onderzoek van het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust. Appellant slaagde hier niet in.

Appellant stelde ook dat de minister de documenten waarop zijn verzoek betrekking had, maar die niet onder de minister berusten, door de minister zouden moeten worden opgevraagd en openbaargemaakt. Dat pleidooi werd door de Afdeling echter evenmin gevolgd: [Appellant] kan evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat de minister documenten waarop het verzoek om openbaarmaking ziet en die niet onder hem berusten, van elders dient te vergaren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 6 mei 2004 in zaak nr. 200305693/1), voorziet de Wob niet in een dergelijke vergaringsplicht.(1)

De minister had bij zijn weigering de gevraagde documenten openbaar te maken echter slechts een algemene afweging gemaakt tussen de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob geformuleerde uitzonderingsgrond en het belang van openbaarheid van informatie. Het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer vraagt evenwel om per document of onderdeel van een document de vraag te beantwoorden of aan dat belang een zodanig gewicht toekomt dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens achterwege mag blijven. In zoverre berustte het besluit op bezwaar niet op een deugdelijke motivering en werd de minister opgedragen opnieuw een besluit op bezwaar te nemen. Zo geschiedde en in 2011 werd de opgevraagde informatie alsnog voor een ieder op internet aangeboden.

Voetnoten

1
ABRvS 13 augustus 2008, LJN BD9942.