Adressen op kandidatenlijst kunnen na verkiezingsperiode geheim worden

De toestemming op een kandidatenlijst te staan houdt niet in dat de betrokkene heeft ingestemd met openbaarmaking anders dan bedoeld in artikel H 1 van de Kieswet.

De woordvoerder van het Internationaal Politiek Documentatiecentrum (hierna: IPD) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Teylingen verzocht hem een afschrift toe te zenden van de kandidatenlijsten (model H 1) van alle politieke partijen die deelgenomen hebben aan de gemeenteraadverkiezingen in die gemeente in 2002, 2006 en 2010. Hij was daarbij in het bijzonder geïnteresseerd in de adressen en geboortedata van personen die op deze kandidatenlijsten voorkomen. Dit verzoek is door het college geweigerd.

In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat een verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) wordt ingewilligd, tenzij de artikelen 10 of 11 van deze wet zich daartegen verzetten. Het college van burgemeester en wethouders hoeft bijvoorbeeld een document niet te verstrekken als het belang dat met de verstrekking wordt gediend niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van personen die in dit document worden genoemd (vgl. artikel 10, tweede lid, onder e, Wob). Appellante heeft in hoger beroep onder verwijzing naar artikel 10, derde lid, van de Wob betoogd dat mensen die op een kandidatenlijst voor een politieke partij gaan staan zelf hebben ingestemd met de openbaarmaking van gegevens die hun persoonlijke levenssfeer raken en dat haar de kandidatenlijst om die reden niet onthouden mocht worden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgde deze redenering evenwel niet.

Volgens de Afdeling is de Wob gedurende de verkiezingsperiode niet van toepassing op kandidatenlijsten, omdat de openbaarmaking van deze lijsten uitputtend door de Kieswet wordt geregeld. Na deze periode vallen de kandidatenlijsten wél onder het regime van de Wob. Omdat de kandidatenlijsten alleen tijdens de verkiezingsperiode (en derhalve tijdelijk) ter inzage liggen, zijn zij niet openbaar en kan - na de verkiezingsperiode - de lijst met een beroep op de Wob worden opgevraagd. Door op de kandidatenlijst te gaan staan hebben de kandidaten ingestemd met de in de Kieswet geregelde terinzagelegging van deze lijsten gedurende de verkiezingsperioden. Deze toestemming kan echter niet gelijk worden gesteld met openbaarmaking in de zin van de Wob. Het laten vermelden van de adresgegevens kan daarom niet worden aangemerkt als instemming van de kandidaten met openbaarmaking van die gegevens als bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Wob. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de kandidaten volledig afstand hebben gedaan van de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer.(1) Bijgevolg is er ruimte voor het bestuursorgaan om een afweging te maken tussen het belang van openbaarheid en het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Wanneer openbaarmaking van de adresgegevens van kandidaten een zeker veiligheidsrisico voor de betrokkenen met zich meebrengt, bijvoorbeeld omdat een actiegroep ter realisering van haar inhoudelijke doelstellingen soms gewelddadig optreedt, is dat een valide argument om de openbaarmaking van deze gegevens te weigeren.

Voetnoten

1
ABRvS 5 september 2012, LJN BX6488.